Centrale Raad van Beroep, 27-03-2015 / 12-3209 WAJONG


ECLI:NL:CRVB:2015:941

Inhoudsindicatie
Ter uitvoering van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2014:3304) heeft het Uwv een nieuw besluit genomen, waarbij alsnog een Wet Wajong uitkering is toegekend. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de hoogte van de uitkering onjuist is.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-27
Publicatiedatum
2015-03-31
Zaaknummer
12-3209 WAJONG
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/3209 WAJONG, 15/1244 WAJONG

Datum uitspraak: 27 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 26 april 2012, 11/680 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Bij tussenuitspraak van 10 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3304, heeft de Raad het Uwv opgedragen de gebreken in de beslissing op bezwaar van 2 september 2011 (bestreden besluit) te herstellen.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 22 december 2014 een nieuw besluit genomen.

Appellant heeft bij brief van 9 januari 2015 hierop gereageerd.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 17, eerste en zesde lid, van de Beroepswet (oud), is afgezien van een nader onderzoek ter zitting. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN


1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak.


2. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 22 december 2014 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen waarbij is beslist dat appellant alsnog vanaf 16 juni 2011 recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong). Daarbij is gevoegd als bijlage een berekening van de hoogte van de uitkering.


3. Appellant heeft aangegeven het niet eens te zijn met de hoogte van de uitkering zoals blijkt uit de toelichting op de bijlage bij het besluit van 22 december 2014. De uitkering is volgens hem te laag en niet in overeenstemming met de tussenuitspraak.


4. Het besluit van 22 december 2014 wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken. Dit geding is geregistreerd onder nummer 15/1244 WAJONG.


5.1.

De Raad stelt vast dat het Uwv met de naar aanleiding van de tussenuitspraak genomen gewijzigde beslissing op bezwaar van 22 december 2014 het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld.


5.2.

Wat appellant tegen het besluit van 22 december 2014 heeft aangevoerd slaagt niet. Uit de bijlage bij het besluit van 22 december 2014 blijkt dat de hoogte van de aan hem toegekende Wet Wajong-uitkering ten bedrage van € 34,86 bruto per dag, is berekend volgens artikel 2:40 van die wet waarbij rekening is gehouden met het inkomen dat appellant verdient. Nu appellant geen gronden heeft aangevoerd tegen de hoogte van zijn inkomen noch tegen de hoogte van de grondslag, zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de hoogte van de uitkering onjuist is. Evenmin zijn er aanknopingspunten voor het oordeel dat deze berekening in strijd komt met hetgeen in de tussenuitspraak in de overwegingen 4.3 tot en met 4.5 is overwogen.


5.3.

Nu het besluit van 2 september 2011 gedeeltelijk is gewijzigd, dient dit besluit te worden vernietigd. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 2 september 2011 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het beroep tegen het besluit van 22 december 2014 wordt, gelet op voorgaande overwegingen, ongegrond verklaard.


6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in verband met in beroep en hoger beroep gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting in beroep en hoger beroep ten bedrage van € 16,- (busretour) en € 44,23, totaal € 60,23. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken. Voorts zal worden bepaald dat het Uwv het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep vergoedt.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 2 september 2011 ongegrond is verklaard;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 2 september 2011 gegrond en vernietigt het besluit van 2 september 2011;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 22 december 2014 ongegrond;
  • - veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 60,23;
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 41,- en € 115,-, totaal € 156,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) M.D.F. de Moor




DK