Centrale Raad van Beroep, 19-03-2015 / 14-561 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:944

Inhoudsindicatie
De Raad heeft, evenals de rechtbank, niet de overtuiging gekregen dat betrokkene de advertentie heeft geplaatst of daarbij betrokken is geweest. Het aan betrokkene verweten plichtsverzuim is niet komen vast te staan. Beroep gegrond. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-19
Publicatiedatum
2015-04-01
Zaaknummer
14-561 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/561 AW, 14/1427 AW

Datum uitspraak: 19 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

13 december 2013, 13/3970 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden, waaronder een besluit van 23 januari 2014.

Namens betrokkene heeft mr. drs. N. Mauer, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2015. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.J. Rutten, G.C. van Uijthoven en C.J.M. de Regt. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Mauer.

OVERWEGINGEN


1.1.

Betrokkene was met ingang van 17 oktober 2011 werkzaam bij de gemeente [gemeente] (gemeente) als[functie]op basis van een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef. Het college heeft deze aanstelling na een beoordeling van het functioneren van betrokkene verlengd tot 17 april 2013.


1.2.

Op 6 september 2012 heeft een onbekende persoon rond 12.15 uur het e-mailadres[e-mailadres]aangemaakt en een half uur daarna een advertentie op Marktplaats (advertentie) geplaatst onder de naam van [naam] (S) met een seksueel getinte en voor S zeer kwetsende inhoud. In de advertentie zijn de volledige naam van S, haar zakelijke mobiele telefoonnummer en haar directe telefoonnummer bij de gemeente vermeld. Op dezelfde dag heeft een onbekende op deze advertentie gereageerd en is een link naar de advertentie verstuurd naar de e-mailadressen van drie ambtenaren van de gemeente.


1.3.

S heeft het voorval gemeld bij de gemeentesecretaris/algemeen directeur van de gemeente, vE, en heeft bij de politie aangifte gedaan van belediging. Op verzoek van vE heeft recherchebureau Hoffmann een onderzoek ingesteld. In het kader daarvan is met S gesproken. Zoals blijkt uit het rapport van Hoffmann van 18 oktober 2012, heeft het digitale onderzoek geen relevante bevindingen opgeleverd.


1.4.

Betrokkene is op 2 oktober 2012 verhoord door de politie. Zij heeft toen verklaard dat zij niets van doen had met de advertentie, die niet heeft geplaatst en daarbij ook niet betrokken is geweest. Betrokkene is niet verder vervolgd.


1.5.

Op 20 december 2012 heeft C, werkzaam bij de politie Oost-Brabant, telefonisch contact gezocht met R, senior adviseur P&O bij de gemeente. Van dit contact heeft R op

13 februari 2013 een verslag gemaakt. Daaruit komt naar voren dat R van C heeft vernomen dat aan de advertentie een IP-adres is gekoppeld dat behoort bij het adres [adres]

[adres], dat in de personeelsadministratie van de gemeente bekend is als het adres waar betrokkene heeft gewoond, en dat betrokkene deze woning verhuurt.


1.6.

Op 20 februari 2013 hebben vE, R en de teammanager Facilitair Bedrijf een gesprek gevoerd met betrokkene. Tijdens dat gesprek heeft zij meermalen verklaard dat zij niets met de advertentie van doen heeft en dat zij het ook niet gedaan kan hebben omdat zij die dag op het werk was. Verder deelde zij mee dat zij de woning aan het adres [adres] heeft verhuurd aan bekenden. Na afloop van dit gesprek heeft vE betrokkene meegedeeld dat de overtuiging bestaat dat zij betrokken moet zijn geweest bij de plaatsing van de advertentie, dat het vertrouwen in haar is geschaad en dat hij niet met haar verder wil. Betrokkene is de mogelijkheid voorgelegd van ontslag op eigen verzoek of van tussentijds ontslag wegens zeer ernstig plichtsverzuim. Aan het eind van het gesprek is haar de toegang tot de gemeentelijke gebouwen ontzegd.


1.7.

Na een voornemen daartoe, waarover betrokkene haar zienswijze heeft gegeven, heeft appellant haar bij besluit van 26 maart 2013 met ingang van 29 maart 2013 de straf van ongevraagd ontslag opgelegd. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

26 juni 2013 (bestreden besluit). Zoals blijkt uit het voornemen, wordt betrokkene - kort weergegeven - verweten dat zij:

a. a) niet uit eigen beweging opening van zaken heeft gegeven over de aangifte van S tegen haar en over het politieverhoor dat heeft plaatsgevonden;

b) anders dan zij stelt, op donderdag 6 september 2012 niet de gehele dag op het gemeentehuis aanwezig is geweest en daarmee de voorschriften inzake de tijdregistratie niet heeft nageleefd en ook niet de volledige waarheid heeft gesproken over haar relatie met S en over de huurders van het pand [adres];

c) door haar houding en gedrag ernstige twijfel heeft doen rijzen over haar integriteit en betrouwbaarheid;

d) de advertentietekst op Marktplaats heeft opgesteld althans daarbij betrokken is geweest.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over de vergoeding van griffierecht en de proceskosten, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is bepaald. De rechtbank oordeelde dat het plichtsverzuim ten aanzien van de onder

1.7

vermelde gedraging d) niet is komen vast te staan. Daartoe heeft zij, kort samengevat, overwogen dat aan de verklaring van C niet de conclusie kan worden verbonden dat daarmee de schriftelijke verklaring van R van 13 februari 2013 over het gesprek op 20 december 2012 is bevestigd. Van deugdelijk vastgestelde gegevens op grond waarvan de overtuiging moet zijn verkregen dat het IP-adres verbonden is aan de woning aan het adres [adres]is niet gebleken. Daarom behoeft de vervolgvraag of betrokkene in verband kan worden gebracht met dit IP-adres ook geen beantwoording. Verder heeft betrokkene volhard in haar ontkenning iets met de advertentie van doen te hebben gehad. De rechtbank oordeelde voorts dat de overige verweten gedragingen weliswaar plichtsverzuim opleveren, maar onvoldoende zwaarwegend zijn om het strafontslag te kunnen dragen. Het strafontslag wordt dan ook niet evenredig geacht aan het plichtsverzuim dat betrokkene kan worden verweten.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank over de verweten gedraging d) en over de evenredigheid van de opgelegde straf bestreden en in dit verband tevens aangevoerd dat bij de beoordeling van de evenredigheid van de strafmaat moet worden betrokken dat betrokkene tijdelijk bij wijze van proef was aangesteld. Appellant heeft een nadere verklaring van 15 april 2014 van C ingezonden over het telefoongesprek dat C op

20 december 2012 met R heeft gevoerd.


3.2.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 23 januari 2014 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen. Daarbij is aan betrokkene de straf van het niet betalen van een half maandsalaris tot een bedrag van € 1.752,50 opgelegd. Dat bedrag is in mindering gebracht op het bedrag dat appellant nog aan betrokkene is verschuldigd als gevolg van het feit dat haar tijdelijke aanstelling op 17 april 2013 van rechtswege eindigde in plaats van door strafontslag op 29 maart 2013.


3.3.

Aangezien het nadere besluit niet geheel tegemoet komt aan de bezwaren van betrokkene, zal dat besluit met toepassing van de artikelen 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de beoordeling worden betrokken.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van artikel 8:12, eerste lid, van de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling/uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO), voor zover van belang, is de ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd van rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt. Op grond van artikel 8:12:1, eerste lid, kan de ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid, ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk. Op grond van artikel 8:13 kan aan de ambtenaar als disciplinaire straf ongevraagd ontslag worden verleend.


4.2.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 21 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL2821, overweegt de Raad dat uit het samenstel van de bepalingen van artikel 8:12 en artikel 8:12:1 van de CAR/UWO voortvloeit dat appellant bij een tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling moet kiezen uit één van de gronden van hoofdstuk 8 van de CAR/UWO. Appellant heeft betrokkene met toepassing van artikel 8:12:1 in verbinding met artikel 8:13 van de CAR/UWO als disciplinaire straf ongevraagd ontslag verleend. De keuze voor deze ontslaggrond brengt mee dat bij de toetsing van de rechtmatigheid van het - tussentijds - ontslag moet worden beoordeeld of betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan de haar verweten gedragingen en zo ja, of deze gedragingen plichtsverzuim opleveren dat betrokkene kan worden toegerekend. Vervolgens is de vraag aan de orde of het ontslag in het licht van de haar verweten gedragingen evenredig is te achten. Anders dan appellant heeft betoogd, is bij de toetsing van de bevoegdheid tot strafoplegging en van de evenredigheid van de straf van ontslag niet van belang dat sprake was van een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef.


4.3.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) gelden in het ambtenarentuchtrecht niet die strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven is wel noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.


4.4.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft de Raad, evenals de rechtbank, niet de overtuiging gekregen dat betrokkene de advertentie heeft geplaatst of daarbij betrokken is geweest. Bij dit oordeel is het volgende in aanmerking genomen.


4.4.1.

Betrokkene heeft van meet af aan elke betrokkenheid bij de advertentie ontkend. Daartegenover heeft appellant een aantal concrete gegevens gesteld die erop wijzen dat betrokkene de advertentie heeft geplaatst. Op grond van de nadere verklaring van C van

15 april 2014 over het telefoongesprek op 20 december 2012 met R is voldoende komen vast te staan dat de advertentie is geplaatst vanaf een IP-adres dat is verbonden met de woning aan het adres [adres]. Betrokkene heeft daar gewoond en heeft de woning sindsdien aan bekenden van haar verhuurd. Verder staat vast dat de advertentie is geplaatst en de link daarnaar is verzonden door een persoon die beschikte over informatie over de werkplek van S en over zakelijke e-mailadressen die slechts bekend konden zijn bij medewerkers van de gemeente. Ook had betrokkene een motief voor de verweten gedraging, nu zij in de ochtend van 6 september 2012 van haar leidinggevende een conceptbeoordeling had ontvangen, die mede vanwege haar slechte werkrelatie met S onvoldoende was om haar tijdelijke aanstelling in een vast dienstverband om te zetten.


4.4.2.

De onder 4.4.1 vermelde omstandigheden vormen wel aanwijzingen, maar geen sluitende onderbouwing voor de conclusie dat betrokkene de advertentie heeft geplaatst dan wel daarbij betrokken was. Dat zij op 3 april 2012 geen volledige opening van zaken heeft gegeven over haar aanwezigheid op het werk op 6 september 2012 en over haar relatie met de huurders van het pand, maakt dat niet anders. Dat geldt ook voor de - niet onderbouwde - stelling van appellant dat betrokkene ook vanaf haar werkplek vanaf het aan [adres] gekoppelde IP-adres een e-mailadres en een advertentie had kunnen aanmaken en (laten) plaatsen. Bij het voorgaande tekent de Raad nog aan dat appellant vanaf begin 2013 zijn onderzoek uitsluitend op betrokkene heeft gericht, zonder daarbij de twee personen te betrekken die S tegenover Hoffmann naast betrokkene had genoemd als mogelijke auteur van de advertentie. Dat daarvoor geen reden bestond, zoals appellant heeft betoogd, neemt niet weg dat betrokkenheid van die personen als gevolg daarvan niet kon worden uitgesloten.


4.5.

Gelet op 4.4.1 en 4.4.2 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het aan betrokkene onder d) verweten plichtsverzuim niet is komen vast te staan. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt.


4.6.1.

Betrokkene heeft haar bezwaar tegen het nadere besluit ter zitting beperkt tot de zwaarte van de straf die bij dat besluit is opgelegd. Appellant heeft bij de keuze voor de straf meegewogen dat de tijdelijke aanstelling van betrokkene is beëindigd en met toepassing van artikel 16:1:2, eerste lid, aanhef en onder e, van de CAR/UWO de straf van niet-betaling van het salaris over een halve maand opgelegd. Betrokkene wordt gevolgd in zijn standpunt dat die straf onevenredig is aan de aard en ernst van het nog resterende plichtverzuim. Bij dit oordeel is in aanmerking genomen dat dit plichtsverzuim, bestaande uit het niet geven van volledige opening van zaken over de aangifte van S, het politieverhoor, de aanwezigheid op het werk, de relatie met S en de relatie tot de huurders, nauw samenhangt met de mogelijke betrokkenheid van betrokkene bij de plaatsing van de advertentie, die als verweten gedraging is weggevallen.


4.6.2.

Uit 4.6.1 volgt dat het nadere besluit niet in stand kan blijven. Appellant dient opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 26 maart 2013 te beslissen. Met het oog op die beslissing merkt de Raad op dat een financiële straf ter hoogte van de helft van de opgelegde straf de Raad niet onevenredig aan de ernst van het plichtsverzuim voorkomt. De Raad ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen. Met het oog op een voortvarende afwikkeling is er wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat beroep tegen het nieuwe besluit slechts kan worden ingesteld bij de Raad.


5. Er is aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 980,- voor verleende rechtsbijstand.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 23 januari 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;
  • - bepaalt dat appellant een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar tegen het besluit van

23 maart 2013;

  • - bepaalt dat beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de Raad;
  • - bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 478,-;
  • - veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 980,-.


Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en K.J. Kraan en

E.R. Eggeraat als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2015.




(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans




(getekend) C.A.W. Zijlstra





MK