Centrale Raad van Beroep, 24-03-2015 / 13-6836 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:951

Inhoudsindicatie
De in het bestreden besluit gegeven motivering dat appellante vanwege eerdere aanvragen moest weten waar het om ging, kan niet als motivering van een besluit tot buiten behandeling stellen van een aanvraag dienen. Overigens is appellante in strijd met het bepaalde in artikel 4:5 van de Awb ook niet in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen. Nieuwe beslissing op bezwaar.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-24
Publicatiedatum
2015-04-01
Zaaknummer
13-6836 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/152
  • JWWB 2015/82
Uitspraak

13/6836 WWB

Datum uitspraak: 24 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 november 2013, 13/446 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Mercanoğlu, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2015. Namens appellante is

mr. Mercanoğlu verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

M. Roemers en M.L.C. Visser.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving tot 1 juli 2010 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Over de periode 3 augustus 1998 tot en met 30 juni 2010 heeft het college de bijstand ingetrokken en teruggevorderd omdat uit onderzoek was gebleken dat appellante beschikte over niet opgegeven contante bedragen, dat sprake was van onverklaarde geldstromen en van aanspraken op een onroerende zaak in Turkije. Bij besluit van

14 maart 2011 heeft het college appellante opnieuw bijstand toegekend, waarbij is bepaald dat zij voor 14 juni 2011 gegevens diende in te leveren over de onroerende zaak in Turkije. Met ingang van 6 januari 2012 is de bijstand weer ingetrokken, omdat appellante de gevraagde gegevens niet had verschaft.


1.2.

Op 29 juni 2012 heeft appellante een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Bij brief van 6 juli 2012 heeft het college appellante in het kader van de aanvraag verzocht om voor

20 juli 2012 een groot aantal gegevens en bewijsstukken te verstrekken, met name over de wijze waarop zij in haar levensonderhoud voorziet en de onroerende zaak in Turkije die zij van haar ouders zou hebben geërfd. In reactie daarop heeft zij op 19 juli 2012 een groot aantal stukken ingeleverd, waaronder bankafschriften, stortingsbewijzen, informatie over schulden, verklaringen van zichzelf en getuigen en vertaalde stukken omtrent de onroerende zaak in Turkije.


1.3.

Bij besluit van 24 juli 2012 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van appellante buiten behandeling gesteld op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat appellante niet alle gegevens had overgelegd. In reactie op dit besluit heeft de toenmalige gemachtigde van appellante, mr. P.F. Wolbers, bij brief van

8 augustus 2012 gevraagd om een persoonlijk gesprek waarin toegelicht zou kunnen worden op welke wijze appellante het college zo volledig mogelijk zou kunnen informeren. In de brief is de volgende passage opgenomen:

“Op basis van de (motivering) van de onderhavige beslissing is het voor cliënte c.q. voor ondergetekende niet mogelijk om te kunnen verifiëren welke informatie niet danwel niet volledig door haar is aangeleverd.”


1.4.

Bij brief van 10 augustus 2012 heeft het college de ontvangst van een bezwaarschrift bevestigd aan mr. Wolbers en hem een termijn gesteld voor het indienen van nadere gronden. Op 27 augustus 2012 en op 1 oktober 2012 heeft het college mr. Wolbers nogmaals in de gelegenheid gesteld de gronden in te dienen op straffe van buitenbehandelingstelling van het bezwaar. Op 15 november 2012 heeft telefonisch contact plaatsgevonden, waarbij

mr. Wolbers heeft medegedeeld dat naar zijn mening de brief van 8 augustus 2012 een begin van gronden bevat en dat hij geen aanvullende stukken of nadere gronden had.


1.5.

Bij besluit van 8 januari 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college de onder 1.3 geciteerde passage uit de brief van 8 augustus 2012 opgevat als grond dat het primaire besluit aan een motiveringsgebrek lijdt. Daaromtrent heeft het college overwogen dat het van mening is dat in de brief van

6 juli 2012 duidelijk staat vermeld welke gegevens moeten worden overgelegd en dat dit appellante ook naar aanleiding van eerdere aanvragen duidelijk had moeten zijn. Het college acht het primaire besluit dan ook voldoende gemotiveerd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar tegen het primaire besluit van 24 juli 2012 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, met veroordeling van het college in de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de brief van 8 augustus 2012 van

mr. Wolbers geen gronden van bezwaar bevat en dat deze later ook niet zijn ingediend.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stelt zich op het standpunt dat de brief van 8 augustus 2012 wel de door het college beoordeelde grond bevat dat aan het primaire besluit een motiveringsgebrek kleeft. Het bezwaar is dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Appellante handhaaft het standpunt dat het primaire besluit in bezwaar vernietigd had moeten worden wegens een motiveringsgebrek.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb is bepaald dat een bezwaarschrift de gronden van het bezwaar dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.


4.2.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat met de onder 1.3 geciteerde passage in de brief van 8 augustus 2012 is voldaan aan het genoemde vereiste van artikel 6:5 van de Awb. De passage is voldoende duidelijk over wat partijen verdeeld houdt en door het college dan ook in eerste instantie terecht aangemerkt als een bezwaargrond dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd. Op verzoek van partijen zal thans het inleidende beroep inhoudelijk worden beoordeeld. In dat kader ligt de vraag voor of aan het primaire besluit een motiveringsgebrek kleeft.


4.3.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Het primaire besluit biedt onvoldoende inzicht in de gegevens die appellante over had moeten leggen en die zij nog niet, dan wel onvolledig zou hebben verstrekt. Appellante heeft immers op 19 juli 2012 een groot aantal gevraagde gegevens overgelegd. Het primaire besluit vermeldt slechts dat deze gegevens niet dan wel niet volledig zijn overgelegd. Voor een deugdelijke motivering was minimaal nodig geweest dat inzicht was gegeven in welke gevraagde gegevens ontbreken of in de redenen waarom de overgelegde gegevens niet voldoen. De in het bestreden besluit gegeven motivering dat appellante vanwege eerdere aanvragen moest weten waar het om ging, kan niet als motivering van een besluit tot buiten behandeling stellen van een aanvraag dienen. Overigens is appellante in strijd met het bepaalde in artikel 4:5 van de Awb ook niet in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen.


4.4.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar dus ten onrechte ongegrond verklaard. Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien. Nu nog niet vaststaat of het college de aanvraag van appellante op goede gronden buiten behandeling heeft gesteld, dan wel of het college alsnog een inhoudelijk oordeel omtrent de aanvraag zal moeten geven, is daartoe nog onvoldoende informatie voorhanden. De Raad acht om dezelfde reden toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus ook niet aangewezen en zal het college daarom een opdracht geven om een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het primaire besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.


5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand. Bij de vernietiging van de aangevallen uitspraak zal een uitzondering worden gemaakt voor de bepalingen over de proceskosten en het griffierecht in beroep.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van de bepalingen over de proceskosten en het griffierecht;
  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het besluit van 8 januari 2013;
  • - draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;
  • - veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 980,-;
  • - bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 118,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en M. Hillen en C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2015.




(getekend) C. van Viegen




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




MK