Centrale Raad van Beroep, 26-03-2015 / 14-2653 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:952

Inhoudsindicatie
Het beroep tegen het nadere besluit is gegrond en het nadere besluit komt wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal, zelf voorziend, de aanvraag om functieonderhoud inwilligen, in die zin dat voor de functie van betrokkene wordt uitgegaan van de door de korpschef opgestelde mensfunctiebeschrijving. Ook zal de door de korpschef opgestelde mensfunctiebeschrijving als uitgangspositie voor de LFNP-functie van betrokkene worden aangemerkt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-26
Publicatiedatum
2015-04-01
Zaaknummer
14-2653 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2653 AW

Datum uitspraak: 26 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van 6 maart 2014

Partijen:

de korpschef van politie (korpschef)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Limburg-Noord (korpsbeheerder), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens de korpschef heeft mr. M.T.J.H. Berns, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 augustus 2013, 12/997 (uitspraak van de rechtbank).

Namens betrokkene heeft mr. L. Stové een verweerschrift ingediend.

De korpschef heeft ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuwe beslissing op bezwaar toegestuurd.

Betrokkene heeft hiertegen beroep ingesteld.

Mr. M.J.M. Vloet heeft zich als opvolgend gemachtigde van betrokkene gesteld en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 13/5454 AW, plaatsgevonden op

12 februari 2015. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Vloet. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Berns en F.J.H. Gunther, functiewaarderingsdeskundige.

OVERWEGINGEN


1.1.

Betrokkene was werkzaam als Trainee bij het onderdeel Omgeving Korpsleiding/Korpsleiding van de politieregio [politieregio].


1.2.

Bij besluit van 16 februari 2010 is hij met ingang van 1 maart 2010 geplaatst in de functie van Operationeel Chef Forensische Opsporing bij het onderdeel Regionale Recherche/Forensische Opsporing.

1.3.

Bij brief van 22 april 2011 heeft de korpschef in het kader van de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie zijn voornemen kenbaar gemaakt om de functie van Operationeel Chef Forensische Opsporing als uitgangspositie voor de toekomstige functie (LFNP-functie) van betrokkene aan te merken. Betrokkene heeft hiertegen bedenkingen geuit alsmede een aanvraag om functieonderhoud ingediend op grond van artikel 2 van de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie. Betrokkene heeft in dit kader verzocht om een functiebeschrijving op te maken van de functie Operationeel Chef Forensische Opsporing, omdat die tot dan toe ontbrak. Hij heeft een uitgewerkt voorstel voor een functiebeschrijving bijgevoegd.



1.4.

Bij besluit van 23 augustus 2011 heeft de korpschef betrokkene met ingang van

1 juli 2011 benoemd in de functie van Operationeel Coördinator/Projectleider. Tegen dit besluit heeft betrokkene geen bezwaar gemaakt.

1.5.

Bij besluit van 7 december 2011 heeft de korpschef de functie van Operationeel Coördinator als uitgangspositie voor de LFNP-functie van betrokkene aangemerkt. In het van dit besluit deel uitmakende ‘Persoonlijke overzicht uitgangspositie op 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011’ is de functie Operationeel Chef Forensische Opsporing als uitgangspositie vermeld. Bij besluit van 20 december 2011 heeft de korpschef de aanvraag om functieonderhoud afgewezen.


1.6.

Bij besluit van 31 mei 2012 (bestreden besluit) heeft de korpschef de bezwaren tegen de besluiten van 7 en 20 december 2011 ongegrond verklaard. Daarbij is vermeld dat in het in 1.5 genoemde persoonlijke overzicht voor, Operationeel Chef Forensische Opsporing, dient te worden gelezen, Operationeel Coördinator Forensische Opsporing. De functie Operationeel Chef Forensische Opsporing heeft volgens de korpschef nooit bestaan.


2. Bij de uitspraak van de rechtbank is - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en de korpschef opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Aan dit oordeel ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. De korpschef heeft niet aannemelijk gemaakt dat de functie van Operationeel Chef Forensische Opsporing nooit heeft bestaan. Verder heeft de korpschef niet inzichtelijk gemaakt waarom de door betrokkene verrichte werkzaamheden wel binnen de bandbreedte van de functie Operationeel Coördinator Forensische Opsporing vallen en niet binnen de bandbreedte van de functie van Operationeel Chef Forensische Opsporing. Evenmin is duidelijk gemaakt aan de hand van welke functiebeschrijvingen de werkzaamheden van betrokkene zijn beoordeeld.


3.1.

De korpschef heeft ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een mensfunctiebeschrijving opgesteld en heeft, alvorens die vast te stellen, betrokkene in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze daarover kenbaar te maken. Betrokkene heeft bij brief van 23 januari 2014 van die gelegenheid gebruik gemaakt. Daarbij heeft hij vermeld op welke punten hij het niet eens is met de opgestelde mensfunctiebeschrijving.


3.2.

Bij besluit van 6 maart 2014 (nadere besluit) heeft de korpschef een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarvan de vaststelling van de mensfunctiebeschrijving deel uitmaakt. De mensfunctiebeschrijving, met als naam Operationeel Coördinator/Projectleider Forensische Opsporing, is op bepaalde punten aangepast naar aanleiding van de zienswijze van betrokkene. Op de punten waar betrokkene niet in zijn zienswijze is gevolgd, heeft de korpschef in het nadere besluit gemotiveerd waarom hij betrokkene niet heeft gevolgd.


3.3.

Het nadere besluit wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De korpschef heeft ter zitting van de Raad het hoger beroep ingetrokken. Ter beoordeling resteert het beroep van betrokkene tegen het nadere besluit.


4.2.

Voor zover betrokkene stelt dat de vastgestelde mensfunctiebeschrijving geen adequate beschrijving geeft van de hem feitelijk opgedragen werkzaamheden ten tijde van belang en dat die werkzaamheden daarvan wezenlijk afwijken, heeft hij die stelling niet aannemelijk gemaakt. In het nadere besluit is uitvoerig gemotiveerd waarom de door betrokkene in zijn zienswijze voorgestelde wijzigingen in de opgestelde mensfunctiebeschrijving slechts ten dele zijn overgenomen. Betrokkene heeft, ook ter zitting desgevraagd, niet kunnen aangeven waarom de korpschef hierin niet kan worden gevolgd. Verder kan het door betrokkene overgelegde advies van functiewaarderingsdeskundige Nagtegaal hem niet baten. Volgens Nagtegaal is het aspect leidinggeven, waarop de adviesaanvraag van betrokkene in het bijzonder zag, verantwoord vertaald naar de door de korpschef opgestelde mensfunctie en is sprake van een leidinggevende functie op operationeel niveau. Nagtegaal heeft in zijn advies ten overvloede nog opgemerkt dat de functienaam operationeel coördinator en de aanduiding beheersmatig (als element van de hoofdtaak ‘beheersmatige operationele leiding’) geen recht doen aan het taakdeel leidinggeven en derhalve in de functiebeschrijving kunnen worden weggelaten. Nog daargelaten dat de functiewaarderingsdeskundige van de korpschef ter zitting heeft uiteengezet waarom hij deze opvatting van Nagtegaal niet deelt, is in het kader van functieonderhoud niet de naamgeving maar de inhoud van de functie bepalend.


4.3.

De kopschef heeft met de vaststelling van de mensfunctiebeschrijving beoogd het door de rechtbank vastgestelde motiveringsgebrek van het bestreden besluit te herstellen. Welke gevolgen die vaststelling heeft voor de bezwaren tegen de besluiten tot afwijzing van de aanvraag om functieonderhoud en tot vaststelling van de uitgangspositie voor de

LFNP-functie van betrokkene, vermeldt het nadere besluit echter niet. Ook het nadere besluit ontbeert in zoverre een deugdelijke motivering.


4.4.

De Raad komt op grond van wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen tot de volgende conclusie. Het beroep tegen het nadere besluit is gegrond en het nadere besluit komt wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal, zelf voorziend, de aanvraag om functieonderhoud inwilligen, in die zin dat voor de functie van betrokkene wordt uitgegaan van de door de korpschef opgestelde mensfunctiebeschrijving. Ook zal de door de korpschef opgestelde mensfunctiebeschrijving als uitgangspositie voor de LFNP-functie van betrokkene worden aangemerkt.


5. Aanleiding bestaat de korpschef te veroordelen tot vergoeding van de kosten van betrokkene. Deze worden vastgesteld op € 980,- in bezwaar en € 980,- voor het beroep tegen het nadere besluit.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 6 maart 2014 gegrond;
  • - vernietigt het besluit van 6 maart 2014;
  • - willigt de aanvraag om functieonderhoud in, in die zin dat voor de functie van

betrokkene wordt uitgegaan van de door de korpschef opgestelde mensfunctiebeschrijving;

  • - merkt de door de korpschef opgestelde mensfunctiebeschrijving aan als uitgangspositie voor de LFNP-functie van betrokkene;
  • - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 6 maart 2014;
  • - veroordeelt de korpschef in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.960,-.


Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2015.




(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) B. Rikhof






MK