Centrale Raad van Beroep, 26-03-2015 / 13-5454 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:953

Inhoudsindicatie
Het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op het besluit over de uitgangspositie, vereist geen nadere motivering in verband met de werkzaamheden in het kader van de waargenomen functie. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak in zijn geheel vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-26
Publicatiedatum
2015-04-01
Zaaknummer
13-5454 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5454 AW

Datum uitspraak: 26 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 augustus 2013, 12/996 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil appellant in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio [politieregio] (korpsbeheerder), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van appellant, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellant heeft mr. M.T.J.H. Berns, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. L. Stové een verweerschrift ingediend.

Mr. M.J.M. Vloet heeft zich als opvolgend gemachtigde van betrokkene gesteld en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 13/5455 AW en 14/2653 AW, plaatsgevonden op 12 februari 2015. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Vloet. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Berns en F.J.H. Gunther, functiewaarderingsdeskundige. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN


1.1.

Betrokkene was Coördinator Jeugdzorg bij het Bureau Jeugd-, Slachtoffer- en Zedenzaken van de Regionale Recherche in de politieregio [politieregio]. Bij besluit van

23 april 2010 is hij, als functievolger in het kader van een reorganisatie, met ingang van

1 mei 2010 geplaatst in de functie van Coördinator Jeugdzorg bij de Afdeling Tactiek, Bureau Jeugd- en Slachtofferzorg en Zedenzaken.


1.2.

Bij besluit van 27 mei 2010 is betrokkene in het kader van een tijdelijke functiewaarneming voor de periode van 1 juni 2010 tot 1 juni 2012 tewerkgesteld in de functie van Operationeel Coördinator Forensische Opsporing bij de Divisie Regionale Recherche, Afdeling Forensische Opsporing. Aan betrokkene is een waarnemingstoelage toegekend.


1.3.

Bij brief van 22 april 2011 heeft appellant in het kader van de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie zijn voornemen kenbaar gemaakt om de functie van Coördinator Jeugdzorg als uitgangspositie voor de toekomstige functie (LFNP-functie) van betrokkene aan te merken. In die brief is, voor zover thans van belang, als ‘bijzondere situatie’ ook de onder 1.2 bedoelde waarnemingsfunctie van Operationeel Coördinator Forensische Opsporing vermeld. Betrokkene heeft met betrekking tot die waarnemingsfunctie bedenkingen geuit alsmede een aanvraag om functieonderhoud ingediend op grond van

artikel 2 van de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie. Betrokkene is van mening dat hij feitelijk dezelfde werkzaamheden heeft verricht als zijn collega C, die in 2010 is benoemd in de functie van Operationeel Chef Forensische Opsporing.



1.4.

Bij besluit van 25 augustus 2011 heeft appellant betrokkene met ingang van

1 september 2011 benoemd in de functie van Operationeel Coördinator/Projectleider. Tegen dit besluit heeft betrokkene geen bezwaar gemaakt.


1.5.

Bij besluit van 7 december 2011 heeft appellant de functie van Coördinator Jeugdzorg als uitgangspositie voor de LFNP-functie van betrokkene aangemerkt. In het besluit is opgemerkt dat aan het einde van het jaar nogmaals een administratieve controle plaatsvindt met het oog op eventuele wijzigingen die hebben plaatsgevonden in de uitgangspositie van betrokkene na 31 maart 2011. Bij besluit van 20 december 2011 heeft appellant de aanvraag om functieonderhoud afgewezen.


1.6.

Bij besluit van 31 mei 2012 (bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren tegen de besluiten van 7 en 20 december 2011 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover dat betrekking heeft op het besluit van 7 december 2011 en appellant opgedragen in zoverre een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft op grond van de toepasselijke regelgeving en de toelichting daarop geoordeeld dat de waarnemingsfunctie van Operationeel Coördinator Forensische Opsporing niet voor functieonderhoud in aanmerking komt, zodat het bezwaar tegen de afwijzing van het functieonderhoud terecht ongegrond is verklaard. Ten aanzien van de voor betrokkene vastgestelde uitgangspositie voor de LFNP-functie heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Volgens de rechtbank heeft appellant, samengevat en voor zover van belang, niet inzichtelijk gemaakt waarom de door betrokkene verrichte werkzaamheden wel binnen de bandbreedte van de functie Operationeel Coördinator Forensische Opsporing vallen en niet binnen de bandbreedte van de functie van Operationeel Chef Forensische Opsporing en evenmin duidelijk gemaakt aan de hand van welke functiebeschrijvingen de werkzaamheden van betrokkene zijn beoordeeld.

3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. De aangevallen uitspraak is innerlijk tegenstrijdig. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de waargenomen functie van Operationeel Coördinator Forensische Opsporing niet tot functieonderhoud kan leiden, kan via de beoordeling van de uitgangspositie voor de LFNP-functie niet alsnog een verplichting tot functieonderhoud worden opgelegd. Voor de uitgangspositie op

31 maart 2011 is bij besluit van 7 december 2011 terecht de organieke functie van Coördinator Jeugdzorg in aanmerking genomen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Vast staat dat de organieke functie van betrokkene gedurende de referteperiode van

31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 de functie van Coördinator Jeugdzorg was. Eveneens staat vast dat betrokkene in de referteperiode de functie van Operationeel Coördinator Forensische Opsporing in het kader van waarneming heeft uitgeoefend.

4.2.

Het juiste oordeel van de rechtbank dat de waargenomen functie van Operationeel Coördinator Forensische Opsporing niet voor functieonderhoud in aanmerking komt, brengt mee dat appellant terecht de functie van Coördinator Jeugdzorg als uitgangspositie voor de LFNP-functie van betrokkene heeft aangemerkt en dat appellant ten aanzien van de waargenomen functie van Operationeel Coördinator Forensische Opsporing met een vermelding als ‘bijzondere situatie’ heeft kunnen volstaan.


4.3.

De stelling van betrokkene dat al vóór het einde van de referteperiode bij appellant bekend was dat betrokkene de waargenomen functie structureel zou gaan vervullen, doet er niet aan af dat hij deze functie tot 1 september 2011 in waarneming heeft uitgeoefend. Hierbij komt dat betrokkene met ingang van 1 september 2011 niet de functie van Operationeel Coördinator Forensische Opsporing structureel is gaan vervullen - en evenmin de functie van Operationeel Chef Forensische Opsporing, waarvan betrokkene stelt dat hij deze feitelijk steeds heeft vervuld - maar de functie van Operationeel Coördinator/Projectleider.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op het besluit over de uitgangspositie geen nadere motivering vereist in verband met de werkzaamheden in het kader van de waargenomen functie. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. Omwille van de duidelijkheid zal de Raad de aangevallen uitspraak in zijn geheel vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2015.




(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) B. Rikhof






MK