Centrale Raad van Beroep, 25-03-2015 / 14-148 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:958

Inhoudsindicatie
Weigering een uitkering wegens betalingsonmacht toe te kennen. Geen sprake van een gezagsverhouding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-25
Publicatiedatum
2015-04-01
Zaaknummer
14-148 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/149
Uitspraak

14/148 WW

Datum uitspraak: 25 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 november 2013, 13/520 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.F. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jansen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft vanaf 6 oktober 2008 werkzaamheden verricht als planner bij [BV]. Een broer van appellant, [naam broer 1], was enig aandeelhouder van deze besloten vennootschap, tevens directeur. Een andere broer van appellant, [naam broer 2], was directeur.


1.2.

De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 8 mei 2012 [BV] in staat van faillissement verklaard. Bij brief van 16 mei 2012 heeft de curator, op basis van de hem ter beschikking staande informatie, de arbeidsovereenkomst tussen appellant en [BV] opgezegd. Op 22 mei 2012 heeft appellant bij het Uwv een aanvraag om overname van betalingsverplichtingen wegens betalingsonmacht van de werkgever ingediend.


1.3.

Bij besluit van 1 augustus 2012 heeft het Uwv geweigerd appellant onder toepassing van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) een uitkering wegens betalingsonmacht toe te kennen, omdat hij niet verzekerd is geweest voor de werknemersverzekeringen.


1.4.

Bij besluit van 12 december 2012 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 augustus 2012 ongegrond verklaard. Aan dat besluit is ten grondslag gelegd dat geen sprake is geweest van werknemerschap in de zin van de artikelen 3 en 61 van de WW, omdat een gezagsverhouding ontbrak.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant niet heeft aangetoond dat sprake is geweest van een gezagsverhouding. Hetgeen namens appellant is aangevoerd heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid.


3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat hij wel in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan tot [BV]. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een verklaring van dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2.11 van de Wet wegvervoer goederen overgelegd, alsmede een verklaring van zijn broer [naam broer 1] en een verklaring van acht ex-werknemers van BR Expres.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of appellant kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW, die in geval van faillissement van de werkgever recht heeft op een uitkering in verband met nog te vorderen loon, vakantiegeld etc. Gelet op de artikelen 3 en 61 van de WW is daarvoor vereist dat appellant tot [BV]in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan. Gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad (zie de arresten van 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6231 en van 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887) en van de Raad (zie de uitspraken van 1 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0098 en van 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1775) is voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking maatgevend of tussen appellant en [BV] sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij als criteria gelden een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.


4.2.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot [BV]. Appellant heeft geen schriftelijke arbeidsovereenkomst overgelegd waaruit blijkt dat hij en [BV] bij het aangaan van hun rechtsverhouding een privaatrechtelijke dienstbetrekking hebben beoogd. Met betrekking tot de wijze waarop appellant en [BV] uitvoering hebben gegeven aan de door hen gemaakte afspraken heeft appellant ter zitting verklaard dat hij twee weken per jaar vakantie had en zelf bepaalde wanneer hij vakantie opnam, dat hij geen vakantiegeld ontving en overwerk niet gecompenseerd kreeg. Hoewel appellant stelde dat de CAO voor het beroepsgoederenvervoer van toepassing was, is in de relatie met [BV] aan de CAO geen uitvoering gegeven terwijl appellant [BV] ook niet heeft aangesproken op de naleving daarvan. Voorts blijkt uit de verklaring van appellant ter zitting dat zijn broers niet of nauwelijks bemoeienis hadden met de operationele gang van zaken bij [BV]. [BV] heeft appellant wel aangemeld bij de belastingdienst, doch niet als werknemer. [BV] heeft ook geen premies werknemersverzekeringen ingehouden op het loon van appellant en afgedragen aan de belastingdienst.


4.3.

De verklaringen die appellant in hoger beroep heeft overgelegd leiden niet tot een ander oordeel. De verklaring van dienstbetrekking in het kader van de Wet wegvervoer goederen is verstrekt om appellant in staat te stellen als chauffeur op te treden. De verklaringen van [naam broer 1] en acht ex-werknemers bij [BV] bevatten slechts juridische kwalificaties door betrokkenen van de relatie tussen appellant en [BV]. Daarin worden geen concrete voorbeelden genoemd waaruit blijkt dat [BV] werkgeversgezag uitoefende op appellant.


4.4.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2015.




(getekend) H.G. Rottier




(getekend) K. de Jong




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.




NW