Centrale Raad van Beroep, 11-03-2015 / 13-5063 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:959

Inhoudsindicatie
Wijziging uitkeringspercentage ZW-uitkering van 100% naar 70%. Juiste rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep. De arbeidsongeschiktheid van appellante voor zover deze het gevolg is van fysieke klachten is niet het gevolg van zwangerschap en/of bevalling.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-11
Publicatiedatum
2015-04-01
Zaaknummer
13-5063 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5063 ZW

Datum uitspraak: 11 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

8 augustus 2013, 12/2574 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. Aanen hoger beroep ingesteld en nadere stukken overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en in reactie op de nadere stukken een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2015. Namens appellante zijn verschenen haar echtgenoot [echtgenoot] en mr. Aanen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is [in] 2010 bevallen. In verband met haar zwangerschap en bevalling heeft zij een uitkering ontvangen ingevolge de Wet arbeid en zorg. Aansluitend aan deze uitkering is zij door haar werkgever ziek gemeld in verband met lichamelijke en psychische klachten. Appellante is in dat verband op 10 mei 2011 op het spreekuur van een verzekeringsarts geweest, die tot de conclusie kwam dat appellante arbeidsongeschikt was mede als direct gevolg van zwangerschap en/of bevalling. Desgevraagd door de verzekeringsarts heeft de behandelend psycholoog bij brief van 5 oktober 2011 nadere informatie over de psychische problematiek van appellante verstrekt. Appellante heeft vervolgens nog enkele malen het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht, laatstelijk op

18 april 2012. Op grond van zijn bevindingen uit dit laatste bezoek heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellante per 23 april 2012 niet langer arbeidsongeschikt was als direct gevolg van zwangerschap en/of bevalling. Bij besluit van 20 april 2012 heeft het Uwv appellantes uitkering op grond van artikel 29a, vierde lid van de Ziektewet (ZW), met ingang van 23 april 2012 beëindigd. Bij besluit van 24 april 2012 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 23 april 2012 nog wel ziek is, maar niet meer ten gevolge van de bevalling, zodat het uitkeringspercentage van appellantes ZW-uitkering wijzigt van 100% naar 70%.


1.2.

Bij besluit van 30 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 april 2012 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 augustus 2012 ten grondslag gelegd.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gelet op de informatie van de behandelend psycholoog van

5 oktober 2011, met betrekking tot de psychische klachten van appellante een navolgbare afweging conform de Richtlijn zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid (Lisv-mededeling M 99.47, van 29 april 1999) (de Richtlijn) heeft gemaakt en dat het Uwv kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de arbeidsongeschiktheid van appellante voor zover die het gevolg is van de psychische klachten niet het gevolg is van zwangerschap en/of bevalling. Ook wat betreft de lichamelijke klachten van appellante heeft naar het oordeel van de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep, in overeenstemming met de Richtlijn een juiste afweging gemaakt. De rechtbank heeft het Uwv dan ook gevolgd in zijn standpunt dat de arbeidsongeschiktheid van appellante voor zover deze het gevolg is van fysieke klachten niet het gevolg is van zwangerschap en/of bevalling.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat haar arbeidsongeschiktheid een direct gevolg is van haar zwangerschap en bevalling.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot het volgende oordeel.


4.1.

Voor het toepasselijk wettelijk kader wordt verwezen naar wat de rechtbank in overweging 6 van de aangevallen uitspraak heeft vermeld.


4.2.

Het namens appellante in hoger beroep aangevoerde is in essentie een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak volledig en voldoende gemotiveerd besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt die tot de zijne. Aan de door appellante in hoger beroep overgelegde informatie van behandelend psychiater A.M. Eeckhout van 29 september 2014 kan niet het gewicht worden toegekend dat appellante daar aan wenst toe te kennen, nu deze psychiater weliswaar heeft vermeld dat, voor zover na te gaan alle klachten zijn ontstaan tijdens de eerste zwangerschap van appellante in de periode 2009/2010, maar niet gemotiveerd heeft beschreven dat sprake is van een causaal verband tussen de psychische klachten en de zwangerschap en/of bevalling. Ook uit de door de psychiater gestelde diagnose van een gegeneraliseerde angststoornis en depressieve stoornis, recidiverend, matig, blijkt niet van een zodanig causaal verband.


5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en A.I. van der Kris en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2015.



(getekend) J.J.T. van den Corput




(getekend) B. Fotchind




TM