Centrale Raad van Beroep, 11-03-2015 / 13/2725 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:962

Inhoudsindicatie
Zw-uitkering. De life-events (het gemis van haar biologische moeder tijdens de zwangerschap, het overlijden van haar oma vlak na de bevalling en het overlijden van haar opa kort nadien) zijn oorzakelijk geweest voor een recidief van de depressieve klachten en er is geen sprake van een rechtstreeks verband met de zwangerschap en/of bevalling. Geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat een causaal verband dient te worden aangenomen tussen de psychische klachten en de zwangerschap en/of bevalling, zoals bedoeld in artikel 29a, vierde lid, van de ZW.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-11
Publicatiedatum
2015-04-02
Zaaknummer
13/2725 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2725 ZW

Datum uitspraak: 11 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 maart 2013, 12/4753 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.W.L. Grootjans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2015.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Grootjans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante heeft in verband met zwangerschap en bevalling een uitkering ontvangen ingevolge de Wet arbeid en zorg (WAZO). In aansluiting hierop heeft appellante zich op

21 februari 2012 ziek gemeld met klachten van psychische aard. De verzekeringsarts heeft op basis van eigen onderzoek vastgesteld dat de klachten van appellante niet direct het gevolg zijn van zwangerschap of bevalling. Op basis van het rapport van de verzekeringsarts van

13 maart 2012 heeft het Uwv bij besluit van 16 maart 2012 aan appellante meegedeeld dat zij per 21 februari 2012 recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ter hoogte van 70% van het voor haar geldende dagloon.


1.2.

Bij besluit van 26 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 juli 2012, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 maart 2012 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat, geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het medisch onderzoek niet op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, dat het standpunt van de verzekeringsarts voor onjuist moet worden gehouden of dat het onderzoek onvolledig is geweest. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep dossierstudie heeft verricht en bij de beoordeling het in bezwaar overgelegde screeningsverslag van Indigo Walcheren heeft meegewogen. De rechtbank ziet, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 15 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8692, geen aanleiding om het oordeel van de verzekeringsartsen met betrekking tot het ontbreken van een causaal verband als bedoeld in artikel 29a, vierde lid, van de ZW voor onjuist te houden. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien een onafhankelijk deskundige te benoemen, zoals door appellant was verzocht.


3. In hoger beroep heeft appellante, kort samengevat, haar standpunt gehandhaafd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Appellante meent dat wel degelijk sprake is van arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap en/of bevalling. Het Uwv heeft ten onrechte geen (recente) medische gegevens opgevraagd bij haar behandelaars alsmede bij Indigo Walcheren, ondanks de door haar gegeven machtiging tot inzage van haar medisch dossier. Nu sprake is van tegenstrijdige diagnoses van enerzijds de artsen van het Uwv en anderzijds de behandelaars, waaronder huisarts F.C.J.E.M. Albers en Indigo Walcheren, verzoekt appellante de Raad een onafhankelijk deskundige te benoemen. Ter onderbouwing van haar standpunt dat sprake is van een postnatale depressie heeft appellante nadere medische informatie overgelegd van GGZ Emergis.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 29a, vierde lid, van de ZW - voor zover hier van belang - heeft de vrouwelijke verzekerde, nadat het recht op WAZO-uitkering is geëindigd, indien zij aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap, recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon, zolang die ongeschiktheid duurt, doch ten hoogste gedurende 104 weken.


4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft appellante gezien en onderzocht. Uit het rapport van de verzekeringsarts blijkt dat appellante al langer bekend is met psychische klachten. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de psychische klachten van appellante geen rechtstreeks gevolg zijn van haar zwangerschap en/of bevalling, maar een reactie vormen op een voor appellante traumatische gebeurtenis, het overlijden van haar oma. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eveneens dossierstudie verricht en appellante op de hoorzitting gezien. Op grond van alle gegevens, waaronder het screeningsverslag van sociaal psychiatrisch verpleegkundige (spv) F.M.H. de Kroo van 10 april 2012, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het oordeel van de primaire verzekeringsarts onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens de in beroep overgelegde informatie van huisarts Albers van 30 augustus 2012 beoordeeld en daarover op inzichtelijke wijze gerapporteerd. In zijn rapport van 7 november 2012 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven dat de life-events (het gemis van haar biologische moeder tijdens de zwangerschap, het overlijden van haar oma vlak na de bevalling en het overlijden van haar opa kort nadien) oorzakelijk zijn geweest voor een recidief van de depressieve klachten en dat er geen sprake is van een rechtstreeks verband met de zwangerschap en/of bevalling.


4.3.

De beroepsgrond van appellante dat ten onrechte geen informatie bij haar behandelaars is opgevraagd, ondanks de door haar gegeven machtiging, slaagt niet. Zoals ter zitting van de rechtbank is besproken in de aangevallen uitspraak is overwogen en nogmaals door het Uwv in het verweerschrift in hoger beroep herhaald, is ruim na het bestreden besluit, op

5 september 2012, gevraagd om een machtiging voor inzage in het medisch dossier. Dit is gebeurd om het recht op ziekengeld in de toen nog lopende (normale) ZW-procedure te beoordelen. De gevraagde machtiging had dus geen betrekking op de onderhavige zaak.


4.4.

De door appellante in hoger beroep overgelegde informatie van Emergis, van spv

W.M.J. Laport van 17 juni 2013, werpt geen ander licht op de zaak. Uit deze informatie, die overigens niet ziet op de datum hier in geding, blijkt dat sprake is van een depressieve stoornis niet anders omschreven en een rouwreactie. Anders dan appellante meent, komt uit voormelde informatie niet naar voren dat de klachten van appellante veroorzaakt zijn door haar zwangerschap en/of bevalling. Hetgeen appellante heeft meegemaakt, betreft naar het oordeel van de Raad externe factoren die van invloed zijn geweest voor een recidief van de psychische klachten van appellante. Gelet op de beschikbare medische informatie is er geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat een causaal verband dient te worden aangenomen tussen de psychische klachten en de zwangerschap en/of bevalling, zoals bedoeld in artikel 29a, vierde lid, van de ZW.


4.5.

In het voorgaande ligt besloten dat geen aanleiding bestaat tot benoeming van een onafhankelijk medisch deskundige, zoals door appellante is voorgestaan.


4.6.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, slaagt het hoger beroep van appellante niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en A.I. van der Kris en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2015.




(getekend) J.J.T. van den Corput




(getekend) B. Fotchind



GdJ