Centrale Raad van Beroep, 31-03-2015 / 13-5644 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:968

Inhoudsindicatie
De onderzoeksbevindingen bieden een onvoldoende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant in de te beoordelen periode feitelijk niet woonachtig was op het uitkeringsadres. Vernietiging uitspraak. Beroep gegrond. Herroept de besluiten van 21 december 2012 en van 10 juni 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de besluiten van 1 maart 2013 en van 22 augustus 2013. Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de besluiten van 1 maart 2013 en van 22 augustus 2013.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-31
Publicatiedatum
2015-04-02
Zaaknummer
13-5644 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie

Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/145 met annotatie van Red.
Uitspraak

13/5644 WWB, 14/3295 WWB



Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 12 september 2013, 13/1968 (aangevallen uitspraak 1) en van 1 mei 2014, 13/6152 (aangevallen uitspraak 2)






Partijen:


[Appellant] te [woonplaats] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)




PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroepen ingesteld en nadere stukken ingediend.


Het college heeft verweerschriften en nadere stukken ingediend.


Namens appellant heeft mr. drs Maduro een zienswijze ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Maduro. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.E. Braak.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving met ingang van 3 september 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Hij stond in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans: Basisregistratie Personen) van de gemeente Rotterdam sinds 6 april 2006 ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).


1.2.

Naar aanleiding van een fraudemelding van de politie Rotterdam Rijnmond dat

[naam G] ([G]) bij appellant woont, heeft de afdeling bijzondere onderzoeken van de gemeente Rotterdam (ABO) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de ABO onder andere informatie opgevraagd bij diverse instanties, waaronder de verhuurder van appellant, een confrontatiegesprek gevoerd met appellant en buurtonderzoek verricht. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 16 oktober 2012, 18 december 2012 en 20 februari 2013.


1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 21 december 2012 de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2012 in te trekken.


1.4.

Bij besluit van 1 maart 2013 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 december 2012 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet woonachtig was op het uitkeringsadres. Appellant heeft de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden door dit niet aan het college te melden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


1.5.

Appellant heeft op 10 april 2013 een aanvraag om bijstand ingediend. Het college heeft de aanvraag om bijstand bij besluit van 10 juni 2013 afgewezen en dat besluit na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 augustus 2013 (bestreden besluit 2). Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant niet woonachtig was op het uitkeringsadres. Omdat appellant geen inlichtingen heeft verstrekt met betrekking tot zijn feitelijke verblijfplaats, kan het college het recht op bijstand niet vaststellen.


2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe in beide zaken kort gezegd overwogen dat vaststaat dat appellant per 24 september 2012 was afgesloten van water, gas en elektriciteit. Dat rechtvaardigt de vooronderstelling dat de betreffende woning niet als feitelijk hoofdverblijf heeft gediend. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde in geding wel op het uitkeringsadres woonachtig was.


3. Appellant heeft zich in de hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2 gekeerd. Wat hij aanvoert komt er op neer dat hij altijd op het uitkeringsadres heeft gewoond, ook nadat hij van water, gas en elektriciteit was afgesloten. De bestreden besluiten hebben daarmee geen deugdelijke grondslag.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


De intrekking


4.1.

Met betrekking tot de intrekking ligt ter beoordeling voor de periode van

1 december 2012 tot en met 21 december 2012 (te beoordelen periode).


4.2.

Een besluit tot intrekking van bijstand is een belastend besluit waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust.


4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie te verstrekken over zijn woonadres, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.


4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het college in dit geval aannemelijk dient te maken dat appellant in de te beoordelen periode niet woonde op het uitkeringsadres en dat hij daarvan ten onrechte geen melding heeft gemaakt bij het college.


4.5.

De onderzoeksbevindingen bieden een onvoldoende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant in de te beoordelen periode feitelijk niet woonachtig was op het uitkeringsadres. De enkele omstandigheid dat appellant sinds september 2012 was afgesloten van water, gas en elektriciteit is daarvoor onvoldoende. In dit verband wordt als voorbeeld gewezen op de uitspraak van de Raad van 16 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7278. Appellant heeft een verklaring gegeven met betrekking tot de omstandigheden waaronder hij in de woning op het uitkeringsadres heeft verbleven. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring die [naam S] ([S]), woonachtig aan de [adres a] te [woonplaats], ter zitting van de rechtbank van 13 augustus 2013 heeft afgelegd. Hij heeft verklaard dat appellant sinds vorig jaar bijna dagelijks bij hem langskomt om water te halen, een paar keer bij hem heeft gedoucht en wel eens bij hem komt eten. [S] ziet appellant dagelijks in de straat. Appellant woont volgens [S] aan de Wilgeweerd en woont daar al zo lang als hij hem kent. Appellant slaapt in zijn eigen woning. Met de koude periode geeft [S] hem zijn petroleumkachel.


4.6.

De summier weergegeven verklaringen van buurtbewoners, zoals die zijn opgenomen in de rapporten van 18 december 2012 en 20 februari 2013, bieden - ook in combinatie met het feit dat appellant was afgesloten van water, gas en elektriciteit - onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant niet woonachtig was op het uitkeringsadres. De rapporten zijn geen processen-verbaal en zijn niet op ambtseed opgemaakt. De daarin opgenomen verklaringen zijn onderling tegenstrijdig en bevatten weinig tot geen concrete feiten en omstandigheden. Er zijn drie buurtbewoners die appellant enige tijd niet hebben gezien, maar daar staan de verklaringen van twee buurtbewoners tegenover die appellant herkennen als de bewoner van [uitkeringsadres]. De bewoner van [adres b] had appellant de dag voorafgaand aan zijn verklaring nog gezien en de bewoner van [adres c] heeft verklaard hem regelmatig te zien.


4.7.

De waarnemingen en de inzet van een camera, waarvan in het kader van het onderzoek ook sprake is geweest, leiden niet tot een ander oordeel. De waarnemingen hebben op

5 november 2012 plaatsgevonden en de inzet van de camera op 13 en 14 november 2011. Dit alles was vóór de hier te beoordelen periode. Bovendien blijkt uit de camerabeelden dat appellant op beide dagen in de woning is gezien.


4.8.

De rechtbank heeft wat in 4.5 tot en met 4.7 is overwogen niet onderkend. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt. Deze uitspaak zal daarom worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep gegrond worden verklaard en bestreden besluit 1 worden vernietigd. De Raad zal het besluit van 21 december 2012 herroepen, omdat gelet op het tijdsverloop niet aannemelijk is dat het aan bestreden besluit 1 klevende gebrek nog kan worden hersteld.


De aanvraag


4.9.

Aan het besluit van 10 juni 2013 tot afwijzing van de door appellant ingediende aanvraag ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de bijstand van appellant al was ingetrokken en dat opnieuw bijstand moest worden aangevraagd. Gelet op wat hiervoor onder 4.8 is overwogen, is dit uitgangspunt - achteraf bezien - onjuist. Dit betekent dat bestreden besluit 2 geen deugdelijke grondslag heeft.


4.10.

Gelet op wat in 4.9 is overwogen is ook het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 gegrond. Ook deze uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep gegrond worden verklaard, bestreden besluit 2 worden vernietigd en het besluit van 10 juni 2013 worden herroepen.


5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden in beide zaken begroot op € 980,- in bezwaar, € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, dus in totaal in beide zaken € 5.880,-.



De BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:


- vernietigt de aangevallen uitspraken;

- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 1 maart 2013 en van

22 augustus 2013;

- herroept de besluiten van 21 december 2012 en van 10 juni 2013 en bepaalt dat deze

uitspraak in de plaats treedt van de besluiten van 1 maart 2013 en van 22 augustus 2013;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 5.880,-;

- bepaalt dat het college in beide zaken het aan appellant betaalde griffierecht van in totaal

€ 328,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2015.




(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) P.C. de Wit




HD