Centrale Raad van Beroep, 21-01-2015 / 12-682 WMO


ECLI:NL:CRVB:2015:97

Inhoudsindicatie
De maaltijdservice van appellante is terecht als voorliggende voorziening aangemerkt. Geen noodzaak voor het toekennen van hulp bij het huishouden voor het bereiden van maaltijden. Het college heeft voldaan aan de op haar rustende compensatieverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-21
Publicatiedatum
2015-01-23
Zaaknummer
12-682 WMO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2015/42
Uitspraak

12/682 WMO

Datum uitspraak: 21 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

30 december 2011, 10/1039 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Stein (college)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 11 juni 2014 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2014:2158), waarbij het college is opgedragen de in de tussenuitspraak vastgestelde gebreken in de motivering van het bestreden besluit te herstellen.

Het college heeft bij brief van 26 augustus 2014 kennis gegeven van de wijze waarop het aan de tussenuitspraak uitvoering heeft gegeven.

Mr. A.C.S. Grégoire heeft namens appellante bij brief van 30 september 2014 zijn zienswijze gegeven op de brief van 26 augustus 2014.

Het college heeft hierop bij brief van 31 oktober 2014 gereageerd, waarna appellante niet meer heeft gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN


1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hieraan voegt hij het volgende toe.


2. Het college heeft zich in de brief van 26 augustus 2014 op het standpunt gesteld dat is gebleken dat leverancier ‘Van Alle Smaken’ voldoende voor appellante geschikte maaltijden kan leveren, zodat de maaltijdservice voor appellante adequate compensatie biedt. Voor zover appellante de meerkosten van deze maaltijden niet kan dragen, kan zij hiervoor een aanvraag doen om bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand.


3. Appellante heeft zich in de brief van 30 september 2014 op het standpunt gesteld dat zij geen gebruik kan maken van de maaltijdservice. Volgens appellante heeft het college bij het onderzoek naar de maaltijden van ‘Van Alle Smaken’ deze leverancier niet geïnformeerd over de ingrediënten die zij wel en niet mag hebben. Omdat ‘Van Alle Smaken’ geen

lactosevrij-dieet heeft en gedetailleerde informatie over de samenstelling van de maaltijden ontbreekt, kan niet worden geverifieerd of de maaltijden van ‘Van Alle Smaken’ geschikt zijn voor appellante. Daarnaast zijn de maaltijden van deze leverancier duur.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In de tussenuitspraak heeft de Raad overwogen dat met het aanvullend onderzoek van het college onvoldoende is komen vast te staan dat appellante de maaltijden van de door het college geraadpleegde leveranciers kan gebruiken. Met betrekking tot leverancier Apetito is overwogen dat zij geen voor appellante geschikte maaltijden kan leveren. Met betrekking tot leverancier ‘Van Alle Smaken’ is overwogen dat niet is onderzocht of voldoende geschikte maaltijden kunnen worden samengesteld uit de maaltijdcomponenten die deze leverancier kan bereiden en of appellante de meerkosten hiervan kan dragen. Van overige geschikte leveranciers is niet gebleken.

4.2.

De Raad staat vervolgens voor de vraag of het college met de in de brief van 26 augustus 2014 gegeven motivering de gebreken in het bestreden besluit heeft hersteld.


4.3.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college onderzoek gedaan naar het aantal maaltijden dat samengesteld kan worden uit de door ‘Van Alle Smaken’ te leveren maaltijdcomponenten, uitgaande van de in de tussenuitspraak geformuleerde dieeteisen van appellante en de door haar ingevulde lijsten waarop is vermeld welke voedingsmiddelen zij wel en niet kan verdragen. Volgens het college blijkt uit de van ‘Van Alle Smaken’ verkregen reactie dat deze leverancier in ruime mate voor appellante geschikte maaltijdcomponenten kan leveren die veelvuldig kunnen worden gecombineerd, zodat appellante de maaltijden naar eigen wens kan samenstellen.


4.4.

Anders dan appellante in haar zienswijze heeft aangevoerd, zijn de hiervoor weergegeven uitgangspunten van het door het college uitgevoerde onderzoek in overeenstemming met hetgeen hierover in de tussenuitspraak is overwogen. Het college hoefde dan ook niet de aanvullende door appellante overgelegde informatie over ingrediënten die zij naar eigen zeggen niet kan verdragen, voor te leggen aan ‘Van Alle Smaken.’ Uit de van deze leverancier verkregen reactie kan bovendien niet worden opgemaakt dat geen rekening is of kan worden gehouden met het door appellante te volgen lactosevrije dieet.


4.5.

Appellante heeft verder niet betwist dat met de maaltijdcomponenten van ‘Van Alle Smaken’ voldoende voor haar geschikte maaltijden kunnen worden samengesteld. Voor zover appellante de meerkosten van deze maaltijden niet kan voldoen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 9 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1403), waarin hij heeft geoordeeld dat de keuze van het college om deze kosten te vergoeden door middel van het toekennen van bijzondere bijstand een aanvaardbare keuze is.


4.6.

Dit leidt er dan ook toe dat het college de maaltijdservice in het geval van appellante terecht als voorliggende voorziening heeft aangemerkt en dat er geen noodzaak is voor het toekennen van hulp bij het huishouden voor het bereiden van maaltijden. Met de toekenning van 3 uur en 30 minuten hulp bij het huishouden per week aan appellante heeft het college dan ook voldaan aan de op haar rustende compensatieverplichting als bedoeld in artikel 4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning.


4.7.

Op grond van het overwogene in de tussenuitspraak, bezien in samenhang met het vorenstaande, komt de Raad tot het volgende oordeel. Uit de tussenuitspraak volgt dat het bestreden besluit gebrekkig is en niet berust op een deugdelijke motivering. Daarom dient dit besluit wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb te worden vernietigd. Uit onderhavige uitspraak volgt dat de gebreken door het nadere onderzoek en de nadere motivering die het college in de brief van 26 augustus 2014 heeft gegeven, zijn hersteld en dat het bestreden besluit nu berust op een voldoende grondslag. De Raad zal de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.


5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van

€ 1.470,- en in beroep tot een bedrag van € 980,-.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 9 juni 2010 gegrond;
  • - vernietigt het besluit van 9 juni 2010 en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • - veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal

€ 2.450,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep en in beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2015.




(getekend) A.J. Schaap




(getekend) P. Boer




JvC