Centrale Raad van Beroep, 31-03-2015 / 12-2500 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:972

Inhoudsindicatie
In de tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd en heeft de Raad het college opgedragen om opnieuw te beslissen op de bezwaren van appellant. Het college diende te onderzoeken of de vermogensvermeerdering gevolgen had voor de bijstandsverlening aan appellant. Ter uitvoering van de tussenuitspraak is door het college een nader besluit genomen. Daarbij is het bezwaar tegen de besluiten van 17 maart 2011 gegrond verklaard, in die zin dat de bijstand van appellant over de maanden maart, april, mei, juni, augustus, september en oktober 2010 wordt herzien (lees: over oktober 2010 ingetrokken) en een bedrag van € 3.649,28 van appellant wordt teruggevorderd. Voorts heeft het college daarbij vastgesteld dat appellant met de storting van € 6.500,- in oktober 2010 het vrij te laten vermogen volledig heeft benut. Daarmee is het vrij te laten vermogen van appellant vanaf dat moment nihil. Geoordeeld wordt dat het college met dit nadere besluit een juiste uitvoering heeft gegeven aan de in de tussenuitspraak neergelegde opdracht. Het college heeft bij het nadere besluit een berekening gevoegd. Geen aanknopingspunten om deze berekening voor onjuist te houden. Het beroep tegen dit nadere besluit wordt ogg verklaard, veroordeling van het college in de kosten van appellant, plus pkv.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-31
Publicatiedatum
2015-04-03
Zaaknummer
12-2500 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/2500 WWB, 15/684 WWB

Datum uitspraak: 31 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 maart 2012, 11/8407 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Delft (college)

PROCESVERLOOP

Bij tussenuitspraak van 21 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3416, heeft de Raad het college opgedragen om het geconstateerde gebrek in het besluit van 23 september 2011 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college op 11 december 2014 een nieuwe beslissing op bezwaar (nadere besluit) genomen.

Namens appellant heeft mr. N. Roodenburg, advocaat, bij brief van 12 januari 2015 zijn zienswijze gegeven op het nadere besluit. Daarnaast heeft hij op 16 januari 2015 bij de rechtbank Den Haag beroep ingesteld tegen het nadere besluit. De rechtbank heeft het beroepschrift van 16 januari 2015 doorgestuurd naar de Raad. De Raad zal dat beroepschrift bij de beoordeling betrekken.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN


1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak en de tussenuitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.


2. In de tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de aangevallen uitspraak en de beslissing op bezwaar van 23 september 2011 (bestreden besluit) dienen te worden vernietigd en heeft de Raad het college opgedragen om opnieuw te beslissen op de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 17 maart 2011. De Raad heeft geoordeeld dat de bedragen die appellant via kasstortingen in de maanden maart, april, mei, juni, augustus en september 2010 en januari, februari en maart 2011 op zijn bankrekening heeft ontvangen kunnen worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB dat hij heeft genoten in de maanden waarin die stortingen plaatsvonden. Omdat de kasstortingen in deze periode de op appellant van toepassing zijnde bijstandsnorm niet te boven gingen, heeft het college de bijstand over deze periode ten onrechte volledig ingetrokken. Gelet op twee kasstortingen op 4 oktober 2010 van in totaal € 6.500,- had appellant in die maand geen recht op bijstand. Voor een toerekening van een deel van deze stortingen aan de periode van 1 december 2010 tot en met 17 maart 2011 bestaat geen grond. Het bedrag van € 6.500,- verminderd met het bedrag van de toepasselijke bijstandsnorm over oktober 2010 moet dan ook worden toegevoegd aan het vermogen van appellant. Het college dient te onderzoeken of deze vermogensvermeerdering gevolgen heeft voor de bijstandsverlening aan appellant.


3. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college het nadere besluit genomen. Het college heeft daarbij het bezwaar tegen de besluiten van 17 maart 2011 gegrond verklaard, in die zin dat de bijstand van appellant over de maanden maart, april, mei, juni, augustus, september en oktober 2010 wordt herzien (lees: over oktober 2010 ingetrokken) en een bedrag van € 3.649,28 van appellant wordt teruggevorderd. Voorts heeft het college daarbij vastgesteld dat appellant met de storting van € 6.500,- in oktober 2010 het vrij te laten vermogen volledig heeft benut. Daarmee is het vrij te laten vermogen van appellant vanaf dat moment nihil.


4. Appellant heeft zich in zijn zienswijze tegen het nadere besluit gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat het college er ten onrechte aan voorbij gaat dat hij wel aan de inlichtingenverplichting heeft voldaan. Het college heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de herkomst van de kasstortingen niet kan worden vastgesteld. Het college heeft niet gemotiveerd op welke wijze de terugvordering is berekend.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


De aangevallen uitspraak


5.1.

Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen en geoordeeld, zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.


Het nadere besluit


5.2.

Het nadere besluit wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.


5.3.

Geoordeeld wordt dat het college met dit nadere besluit een juiste uitvoering heeft gegeven aan de in de tussenuitspraak neergelegde opdracht. Wat appellant in zijn zienswijze heeft aangevoerd is reeds betrokken bij de beoordeling die is weergegeven in de tussenuitspraak en is daarin verworpen. De beroepsgrond dat het college niet heeft gemotiveerd op welke wijze de terugvordering is berekend, slaagt niet. Het college heeft bij het nadere besluit een berekening gevoegd. Appellant heeft geen aanknopingspunten geboden om deze berekening voor onjuist te houden. Het beroep tegen dit besluit zal ongegrond worden verklaard.


Slot


6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar, € 980,- in beroep en € 1.225,- in hoger beroep, in totaal € 3.185,-.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 23 september 2011;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 11 december 2014 ongegrond;
  • - veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.185,-;
  • - bepaalt dat het college aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en M. Hillen en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2015.




(getekend) J.F. Bandringa




(getekend) De griffier is buiten staat te ondertekenen






MK