Centrale Raad van Beroep, 16-03-2015 / 13/2650 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:981

Inhoudsindicatie
De gronden in hoger beroep vormen een herhaling van de gronden in eerste aanleg. Het oordeel van de rechtbank wordt gevolgd. Aan de nadere medische informatie valt niet te ontlenen dat er meer beperkingen waren ttig. Geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te benoemen. De door appellant gestelde (gereedschaps)vergoeding, die niet is opgenomen in het maatmaninkomen, leidt niet tot het door appellant gewenste resultaat dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid tenminste 35% bedraagt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-16
Publicatiedatum
2015-04-03
Zaaknummer
13/2650 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • SZR.nl 2015-0020
  • SZR-Updates.nl 2015-0020
Uitspraak

13/2650 WIA


Datum uitspraak: 16 maart 2015



Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 maart 2013, 12/4687 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Appellant heeft nadere medische informatie ingediend. Het Uwv heeft hierop gereageerd.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2015. Appellant is verschenen met bijstand van mr. M.J.P.M. Soeren, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Clemens.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is werkzaam geweest als medewerker technische dienst voor gemiddeld 15,86 uur per week. Daarnaast is hij als zelfstandige werkzaam voor gemiddeld 32 uur per week. Op 24 februari 2009 is appellant voor zijn werkzaamheden als medewerker technische dienst uitgevallen vanwege lage rugklachten. In verband met onvoldoende re-integratie-inspanningen is de werkgever van appellant gehouden het loon van appellant gedurende drie jaar (tot 21 februari 2012) door te betalen.


2. Bij besluit van 5 januari 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van 22 februari 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 20 juli 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De mate van arbeidsongeschiktheid is blijkens het onderliggend rapport van 13 juli 2012 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgesteld op 26,06%.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig geacht en geen grond gezien voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellant op datum in geding heeft onderschat. Evenmin ziet de rechtbank grond voor het oordeel dat appellant de voor hem geselecteerde functies van productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050) en besteller post/pakketten (sbc-code 282102) niet zou kunnen vervullen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het maatmaninkomen op juiste gronden is vastgesteld.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar hetgeen hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht, aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn beperkingen. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij de voor hem geselecteerde functies niet kan vervullen. Tot slot heeft appellant gesteld dat het maatmaninkomen onjuist is vastgesteld nu daarin geen rekening is gehouden met de structurele, maandelijkse netto betaling van € 60,00 die hij van zijn werkgever ontving.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

De hoger beroepsgronden vormen een herhaling van de gronden die appellant in eerste aanleg heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de gronden terecht verworpen.


4.2.

Met juistheid is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat er geen aanleiding is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) onzorgvuldig te achten. De verzekeringsarts heeft bij appellant lichamelijk onderzoek verricht en de reeds voorhanden zijnde medische informatie bij zijn beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossierstudie verricht en op basis daarvan het oordeel van de verzekeringsarts onderschreven.


4.3.

Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde en in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 december 2011 neergelegde beperkingen van appellant met betrekking tot zijn arbeidsmogelijkheden op 22 februari 2012. Zoals uit het rapport van de verzekeringsarts blijkt is appellant bekend met chronisch lage rugklachten veroorzaakt door een verouderingsproces van de tussenwervelschijven. De verzekeringsarts acht appellant aangewezen op rugsparend werk, waarbij rekening wordt gehouden met beperkingen voor veelvuldig buigen en of draaien van de romp, tillen van zware voorwerpen, dragen, duwen/trekken en langdurig in een gebogen of getordeerde houding werkzaam zijn. Bovendien dient trillingsbelasting van de romp vermeden te worden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat bij het vaststellen van de belastbaarheid de in het dossier aanwezige medische informatie, waaronder die van neurochirurg D. Zeilstra, is meegewogen en dat het bij de verzekeringsarts bekend was dat appellant onder behandeling is van een osteopaat. Er zijn in de FML in overeenstemming met de klachten en de geobjectiveerde afwijkingen beperkingen aangenomen ten aanzien van fysiek zware en rugbelastende factoren. Evenals de rechtbank heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om het standpunt van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden.


4.4.

De in hoger beroep ingebrachte medische informatie van 18 augustus 2014 en

16 september 2014, waaruit blijkt dat appellant op 16 september 2014 is geopereerd aan een navelbreuk en een bovenbuikbreuk, leidt niet tot de conclusie dat de beperkingen van appellant op 22 februari 2012 zijn onderschat. Aan die gegevens valt niet te ontlenen dat appellant ten tijde hier in geding meer beperkt is dan in de FML is weergegeven.


4.5.

Nu appellant geen medische gegevens heeft overgelegd die reden vormen om de conclusies van de betrokken verzekeringsartsen in twijfel te trekken, ziet de Raad geen aanleiding om, zoals door appellant is verzocht, een onafhankelijk deskundige te benoemen. De Raad acht zich voldoende voorgelicht over de gezondheidstoestand van appellant en zijn mogelijkheden om arbeid te verrichten.


4.6.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde beperkingen, moet het oordeel van de rechtbank worden onderschreven dat de onder 3 vermelde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. Het Uwv heeft de geschiktheid van deze functies voor appellant afdoende toegelicht in de resultaat functiebeoordeling van 12 juli 2012 en de arbeidskundige rapporten van 22 december 2011 en 7 maart 2013.


4.7.

Appellant heeft ten slotte zijn in bezwaar en beroep aangevoerde stelling herhaald dat het Uwv bij de berekening van het maatmaninkomen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een bedrag van € 60,-. Dit bedrag wordt wisselend in de stukken omschreven als een gereedschapsvergoeding of als vergoeding voor een maandelijkse tankbeurt. Ter zitting heeft appellant gesteld dat het hier gaat om een netto loonbedrag dat na brutering bij de berekening van het maatmaninkomen dient te worden betrokken. De Raad kan daarlaten of hier sprake is van een verkapte loonbetaling die gevolgen moet hebben voor het maatmaninkomen. Uitgaande van de in het rapport van 13 juli 2012 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vermelde loonbedragen en berekeningsmethode, die op zichzelf niet door appellant zijn bestreden, leidt een verhoging van het in aanmerking genomen loon met € 60,- per maand, ook als dit wordt gebruteerd, niet tot het door appellant gewenste resultaat dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid tenminste 35% bedraagt. De beroepsgrond treft reeds daarom geen doel.


4.8.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.7 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2015.


(getekend) D.J. van der Vos




(getekend) D. van Wijk




TM