Centrale Raad van Beroep, 25-03-2015 / 13-6539 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:987

Inhoudsindicatie
De Raad stelt vast dat het besluit tot herziening en intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 15 juli 2005 in rechte onaantastbaar is geworden. Dat betekent dat de WAO-uitkering over de periode van 15 juli 2005 tot en met 31 juli 2012 aan appellant onverschuldigd is betaald. De beroepsgronden die zien op de vraag naar de rechtmatigheid van het besluit tot herziening en intrekking van de WAO-uitkering kunnen buiten bespreking blijven.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-25
Publicatiedatum
2015-04-02
Zaaknummer
13-6539 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/154
  • JB 2015/94
Uitspraak

13/6539 WAO

Datum uitspraak: 25 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

31 oktober 2013, 13/565 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.J. Ouderdorp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ouderdorp en M. Gülçay als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is werkzaam geweest als vuilnissorteerder. Aan hem is met ingang van

12 september 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij herbeoordeling op 15 juli 2005 is deze uitkering in bezwaar ongewijzigd voortgezet. Bij besluit van 17 juli 2012 heeft het Uwv met ingang van 15 juli 2005 de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 15% gesteld en de uitkering per deze datum ingetrokken. Bij beslissing op bezwaar van 17 september 2012 heeft het Uwv het tegen dit besluit gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard bij haar uitspraak van 17 mei 2013. Daartegen is geen hoger beroep ingesteld.


1.2.

Het beroep tegen de weigering van het Uwv om terug te komen van het besluit van

17 juli 2012 is door de rechtbank ongegrond verklaard bij uitspraak van 7 mei 2014. Daartegen is evenmin hoger beroep ingesteld.


1.3.

Bij besluit van 1 augustus 2012 heeft het Uwv de over de periode van 15 juli 2005 tot en met 31 juli 2012 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en toeslag, in totaal ter hoogte van € 82.725,75 (bruto), van appellant teruggevorderd. Het daartegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 31 januari 2013 (bestreden besluit).


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 17 juli 2012, waarbij de WAO-uitkering van appellant is herzien en ingetrokken, onherroepelijk is geworden en dat alleen het besluit tot terugvordering ter beoordeling voorligt. Uit het bepaalde in artikel 57, eerste lid, van de WAO, volgt dat op het Uwv de wettelijke plicht rust om de uitkering voor zover deze onverschuldigd is betaald terug te vorderen. Slechts indien daarvoor dringende redenen zijn kan het Uwv geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering. De hoogte van het bedrag levert niet zonder meer een dringende reden op om af te zien van terugvordering. Dat appellant met terugwerkende kracht geen inkomen heeft en nog jaren zal moeten terugbetalen, levert evenmin een dringende reden op. De rechtbank deelt de visie van appellant niet dat de terugvordering wegens onverschuldigde betaling is verjaard omdat er geen andere informatie zou zijn dan in 2005. Eventuele onduidelijkheid daarover bij appellant is volgens de rechtbank het gevolg van het feit dat appellant geen tijdige rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 17 juli 2012.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat de vordering van het Uwv uit onverschuldigde betaling is verjaard omdat het Uwv na onderzoek door een verzekeringsarts in 2005 wetenschap heeft gehad over de arbeidsgeschiktheid van appellant. Ook heeft appellant herhaald dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Appellant acht het bestreden besluit voorts in strijd met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Tot slot acht appellant de hoogte van de terugvordering nog steeds onduidelijk. Hij heeft gevraagd om aanhouding om op de ter zitting verstrekte nadere gegevens te kunnen reageren.


3.2.

Verweerder heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Er is geen aanleiding om het onderzoek te heropenen teneinde appellant zoals door hem verzocht in staat te stellen te reageren op de door het Uwv ter zitting gegeven inzage in de berekening van het terugvorderingsbedrag, inhoudende een optelsom van de aan appellant uitgekeerde bruto maandbedragen over de periode in geding. De aan deze berekening ten grondslag gelegde gegevens zijn immers gelijkluidend aan de gegevens waarvan appellant reeds in zijn bezwaarschrift heeft aangegeven hierover te beschikken. Appellant heeft de hoogte van deze bedragen niet betwist.


4.2.

De Raad stelt vast dat het besluit tot herziening en intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 15 juli 2005 in rechte onaantastbaar is geworden. Dat betekent dat de

WAO-uitkering over de periode van 15 juli 2005 tot en met 31 juli 2012 aan appellant onverschuldigd is betaald. De beroepsgronden die zien op de vraag naar de rechtmatigheid van het besluit tot herziening en intrekking van de WAO-uitkering kunnen buiten bespreking blijven.


4.3.

Het standpunt van appellant dat de vordering van het Uwv uit onverschuldigde betaling van de WAO-uitkering is verjaard, wordt niet gevolgd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt voor de verjaring aansluiting gezocht bij artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (ECLI:NL:CRVB:2014:2377). Volgens artikel 3:309 van het BW verjaart een rechtsvordering wegens onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgend op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer ECLI:NL:HR:2003:AK3696) dient de bekendheid, vereist voor het aanvangen van de vijfjaarstermijn, subjectief te worden opgevat als een daadwerkelijke bekendheid. Door degene die zich op verjaring beroept, moet worden gesteld en zo nodig bewezen dat de schuldeiser daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de vordering en de persoon van de ontvanger. Voor een terugvorderingsbesluit als hier in geding vangt de verjaringstermijn aan met ingang van de datum waarop het bestuursorgaan bekend is geworden met de feiten of omstandigheden die leiden tot de conclusie dat sprake is van een onverschuldigd betaalde uitkering. Een daadwerkelijke bekendheid met de vordering volgt niet uit het gegeven dat een verzekeringsarts appellant in 2005 heeft onderzocht en hem destijds niet arbeidsongeschikt heeft geacht, welk standpunt het Uwv na bezwaar van appellant heeft herroepen. Het Uwv is pas in 2012, na een gericht onderzoek waaruit is gebleken dat appellant vanaf 15 juli 2005 geen recht heeft gehad op een WAO-uitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt is geweest, daadwerkelijk bekend geworden met feiten en omstandigheden die tot de conclusie leiden dat de WAO-uitkering onverschuldigd is betaald. De gedingstukken bevatten geen aanknopingspunten voor een eerder aanvangsmoment van de verjaringstermijn. Nu vervolgens het terugvorderingsbesluit op 1 augustus 2012 is genomen, is verjaring van de vordering hier niet aan de orde.


4.4.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 12 maart 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BL7382) met juistheid heeft overwogen, levert de hoogte van het bedrag niet zonder meer een dringende reden op als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO. Dat appellant met terugwerkende kracht zeven jaren geen inkomen heeft gehad en dat hij nog jaren zal moeten terugbetalen, leveren evenmin dringende redenen op. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat hij in het verleden geen andere inkomsten naast zijn WAO-uitkering heeft gehad. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen immers alleen gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen, die voor een betrokkene als gevolg van de terugvordering optreden. Appellant heeft weliswaar gesteld dat de terugvordering voor hem financiële en sociale consequenties heeft, maar hij heeft deze stelling niet geconcretiseerd en onderbouwd. Evenmin heeft hij inzicht verschaft in de aard en omvang van de financiële gevolgen. Hiermee heeft appellant niet aangetoond dat deze onaanvaardbaar zijn.


4.5.

De Raad ziet tot slot geen grond voor het oordeel dat ongeschreven rechtsregels, in het bijzonder het beginsel van rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel, zich in het voorliggende geval verzetten tegen de toepassing van artikel 57, eerste lid, van de WAO.


4.6.

Uit dat wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en D.S. de Vries en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2015.



(getekend) J.S. van der Kolk




(getekend) W. de Braal




MK