Centrale Raad van Beroep, 31-03-2015 / 13-5100 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:994

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Inkomsten uit hennepteelt, uit pokeren dan wel uit één of verscheidene andere onbekende bron(nen) waarvan appellanten het college in de voor hen relevante perioden geen melding hebben gemaakt. Schending inlichtingenverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-31
Publicatiedatum
2015-04-02
Zaaknummer
13-5100 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5100 WWB, 13/5101 WWB

Datum uitspraak: 31 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

15 augustus 2013, 12/935, 12/1081 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden wonende te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. V.Y. Jokhan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Jokhan heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2015, waar appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Jokhan. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Hopman.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten ontvingen in de perioden van 7 december 2009 tot en met 9 april 2010 (periode 1) en van 18 januari 2011 tot en met 26 juni 2011 (periode 2) bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Appellant ontving van

10 april 2010 tot en met 17 januari 2011 (periode 3) bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.


1.2.

De politie Korps Noord-Holland Noord, heeft op 5 januari 2011 appellant aangetroffen bij een woning op het adres [woning] (woning) te [woonplaats]. Appellant was samen met een andere persoon bezig tassen met aarde en plantenresten van de woning naar een door appellant gehuurde bestelbus te verplaatsen. In de woning heeft de politie op de eerste verdieping een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met 187 plantjes. De politie heeft appellant in het kader daarvan op 5 januari en 6 januari 2011 verhoord. Tevens heeft de politie op 5 januari 2011 de huurder van de woning, [naam huurder] ([huurder]) en op

11 januari 2011 een buurtbewoner van de woning, [naam M.] ([M.]) verhoord. De politie heeft in februari 2011 de sociale recherche Noord-Holland Noord (sociale recherche) in kennis gesteld van de verdenking van betrokkenheid van appellant bij de op 5 januari 2011 aangetroffen hennepkwekerij. Vervolgens heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft onder meer dossieronderzoek plaatsgevonden, is kennis genomen van diverse stukken uit het politieonderzoek en zijn onder meer [M.] op 29 maart 2011 en appellant op 19 mei 2011 gehoord. Tijdens het onderzoek van de sociale recherche heeft de politie appellant op

27 juni 2011 op heterdaad aangehouden. Appellant zou vanuit de woning van appellanten aan de Hornwaard 87 te [woonplaats] hennep hebben verkocht aan P[naam P.] ([P.]). Dezelfde dag is door de politie de woning van appellanten onderzocht. Daarbij zijn diverse goederen, waaronder sieraden, een zak wiet en een geldbedrag van € 14.820,- aangetroffen en in beslag genomen. In verband met deze zaak heeft de politie appellant op 27 juni 2011 en 5 juli 2011 verhoord. De sociale recherche heeft kennisgenomen van diverse stukken met betrekking tot dit politie-onderzoek. Op 19 mei en 9 en 23 augustus 2011 is appellant door de sociale recherche gehoord. De onderzoeksbevindingen van de sociale recherche zijn neergelegd in een rapport van 29 augustus 2011.


1.3.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 6 september 2011 de bijstand van appellanten ingetrokken over de periode van 7 december 2009 tot en met

26 juni 2011. Bij drie afzonderlijke besluiten van 7 september 2011 heeft het college de kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 6.602,59 (periode 1), € 6.987,42 (periode 2) en € 13.368,46 (periode 3).


1.4.

Het college heeft bij afzonderlijke besluiten van 26 maart 2012 de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 6 september en 7 september 2011 ongegrond verklaard onder herziening van de periode van intrekking van de bijstand ten aanzien van appellante tot de perioden 1 en 2. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche een toereikende grondslag vormen voor het standpunt dat appellant in periode 3 en appellanten in de perioden 1 en 2 beschikte(n) over inkomsten uit exploitatie van een hennepplantage en/of handel in hennep, inkomsten uit pokeren dan wel inkomsten uit een onbekende bron, waarvan zij het college geen melding hebben gemaakt. Hierdoor heeft het college niet kunnen vaststellen of appellanten in de voor hen geldende relevante perioden in geding in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerden.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hiertoe hebben zij, samengevat, aangevoerd dat gedurende de perioden in geding geen sprake is geweest van inkomsten, waarvan zij aan het college melding hadden moeten doen. Appellant stelt dat hij in 2008 voor het laatst heeft gepokerd en ontkent zijn betrokkenheid bij de exploitatie van de hennepkwekerij in de woning. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat aansluiting gezocht dient te worden bij het arrest van het gerechtshof Amsterdam van

23 oktober 2013 waarbij (slechts) bewezen is geacht dat appellant, in de periode van

15 december 2010 tot en met 5 januari 2011, 187 hennepplanten heeft geteeld. Voorts stellen appellanten zich op het standpunt dat de psychische gesteldheid van appellante een dringende redenen oplevert om geen bijstand van appellante terug te vorderen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 7 december 2009 tot en met 6 september 2011.


Inkomsten uit exploitatie van en handel in hennep


4.2.

Op grond van de onderzoeksbevindingen is vast komen te staan dat appellant de door de politie op 5 januari 2011 in de woning aangetroffen hennepkwekerij exploiteerde. Hierbij heeft de Raad van belang geacht dat appellant op 5 januari 2011 door de politie is aangetroffen bij de woning, terwijl hij bezig was tassen met aarde en plantenresten te vervoeren. Voorts heeft [huurder] op 5 januari 2011 verklaard - en haar verklaring herhaald op 10 mei 2011 - dat appellant sinds 2009 gebruik maakt van een kamer op de eerste verdieping van de woning en sleutels had van de achterdeur van de woning en van de door hem gebruikte kamer. Op 5 januari 2011 heeft de politie geconstateerd dat appellant in het bezit was van deze sleutels waarvan één paste in het slot van de deur die toegang gaf tot de kamer waar de hennepkwekerij is aangetroffen. In verband met het voorgaande heeft de Raad voorts van belang geacht dat [M.] op 11 januari 2011 tegenover de politie heeft verklaard dat zij sinds het najaar van 2009 appellant bijna dagelijks bij de woning zag. In het licht van het voorgaande kan appellant niet gevolgd worden in zijn stelling dat niet hij, maar een zekere [naam eigenaar] eigenaar van de hennepkwekerij was en hij als een vriendendienst heeft geholpen met het opruimen van wat later hennepafval bleek te zijn. Dat appellant geen betrokkenheid bij de exploitatie van de hennepkwekerij heeft gehad volgt - anders dan door appellant betoogd - ook niet uit de door appellanten in beroep overgelegde verklaringen van

[naam H.], [naam Z.] en [naam G.] van 19 juni 2013. Aangezien het starten en exploiteren van een hennepkwekerij onmiskenbaar op geld waardeerbare activiteiten zijn, had appellant hiervan melding moeten doen aan het college.


4.3.

Op 27 juni 2011 is appellant aangehouden op verdenking van verkoop van hennep aan [P.]. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij bij die verkoop slechts als tussenpersoon/bemiddelaar optrad. Wat hier verder van zij, vastgesteld wordt dat ook bemiddeling in de verkoop van hennep een op geld waardeerbare activiteit is waarvan appellant aan het college melding had moeten maken.


Inkomsten uit pokeren


4.4.

Appellant heeft op 5 januari 2011 tegenover de politie verklaard dat hij pokert. Het is net geen verslaving. Hij heeft het redelijk onder controle. Op 6 januari 2011 heeft appellant tegenover de politie verklaard zo’n tweemaal per week te pokeren. Op 19 mei 2011 heeft appellant tegenover de sociale recherche bevestigd dat hij pokert. Op 27 juni 2011 heeft hij tegenover de politie verklaard dat hij pokert en dat als de politie geld bij hem thuis aantreft, dit van het pokeren is. Op 23 augustus 2011 heeft appellant vervolgens verklaard dat van het geld dat op 27 juni 2011 in de woning van appellanten is aangetroffen een bundeltje van € 20 biljetten van het pokeren afkomstig is. Gelet op het voorgaande wordt het thans door appellant ingenomen standpunt dat hij vanaf 2008 niet meer pokert en hieruit geen inkomsten heeft genoten niet geloofwaardig geacht. Gezien de mate waarin appellant heeft verklaard te pokeren had hij het college van deze activiteiten en de inkomsten hieruit op de hoogte dienen te stellen.


Inkomsten uit onbekende bron(nen)


4.5.

Op 27 juni 2011 is in de woning van appellanten een geldbedrag aangetroffen van

€ 14.820,-. Appellant heeft hierover op 5 juli 2011 tegenover de politie verklaard dat hij dit geld in de loop der jaren heeft gespaard. Appellant heeft deze verklaring ondertekend.

Op 23 augustus 2011 heeft appellant tegenover de sociale recherche over het aangetroffen geld verklaard dat het een lening betrof van zijn schoonmoeder, neef en nichtje en dat het geld bestemd was voor het opstarten van een bedrijf. Appellant heeft hiertoe in beroep enkele verklaringen overgelegd. De Raad ziet geen aanleiding om aan te nemen dat het in de woning aanwezige geld niet van hem was. De door hem overgelegde verklaringen zijn niet aan te merken als objectieve, verifieerbare en controleerbare stukken waarmee hij aannemelijk heeft gemaakt dat het op 27 juni 2011 in zijn woning aangetroffen geld, geleend geld van derden betrof, dat bestemd was voor het opzetten van een bedrijf. Daarbij wordt mede van belang geacht dat hij over de herkomst van het in de woning aangetroffen geld wisselend heeft verklaard.


4.6.

[huurder] heeft op 5 januari 2011 tegenover de politie en op 10 mei 2011 tegenover de sociale recherche verklaard dat appellant vanaf ongeveer september 2009 in de woning een kamer huurt. Appellant heeft [huurder] daarvoor vanaf het begin een vergoeding betaald. Vanaf ongeveer januari 2010 bedroeg die vergoeding € 1.000,- per maand. In de enkele stelling van appellant dat wat [huurder] heeft verklaard onjuist is en dat zij deze verklaring heeft afgelegd om andere personen “te dekken”, ziet de Raad onvoldoende aanleiding om niet uit te gaan van de verklaring van [huurder]. Hierbij wordt tevens in aanmerking genomen dat appellant op 5 januari 2011 in het bezit was van de sleutels van de desbetreffende woning.


4.7.

Gezien het in de woning op 27 juni 2011 aangetroffen geld en de onduidelijkheid die is blijven bestaan over de herkomst van dit geld, in combinatie met het gegeven dat appellant blijkbaar in staat was in ieder geval vanaf januari 2010 [huurder] een bedrag van € 1.000,- per maand te betalen, heeft het college op goede gronden de conclusie getrokken dat sprake moet zijn geweest van een onbekende bron van inkomsten waarvan appellanten aan het college geen melding hebben gemaakt.


4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat in de te beoordelen periode sprake was van inkomsten uit hennepteelt, uit pokeren dan wel uit één of verscheidene andere onbekende bron(nen) waarvan appellanten het college in de voor hen relevante perioden geen melding hebben gemaakt. Hiermee zijn appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting niet nagekomen. Appellanten hebben geen administratie overgelegd op grond waarvan het college achteraf alsnog in staat zou zijn geweest vast te stellen, al dan niet schattenderwijs, of en, zo ja, in hoeverre appellanten vanaf 7 december 2009 recht op (aanvullende) bijstand zouden hebben.


4.9.

Uit 4.8 volgt dat het college de bijstand van appellanten over de perioden 1 en 2 en van appellant over de periode 3 terecht heeft ingetrokken. Het college was daarom bevoegd om de over de perioden 1 en 2 gemaakte kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen en de over de periode 3 gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen.


4.10.

In wat appellanten hebben aangevoerd, zijn geen dringende redenen gelegen om van de terugvordering van appellante af te zien. Niet aannemelijk is gemaakt dat de terugvordering voor appellante leidt tot onaanvaardbare consequenties. Anders dan door appellanten is betoogd blijkt dit niet uit de overgelegde brief van 23 september 2013 van de behandelend psycholoog/psychotherapeut van appellante waarin deze heeft verklaard dat appellante sinds 14 september 2011 bij hem in behandeling is wegens recidiverende depressie en haar klachten verergerd zijn na de onverwachte inhechtenisneming van appellant.


4.11.

Uit 4.1 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.H. Bel en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) R.G. van den Berg






MK