Centrale Raad van Beroep, 26-04-2016 / 14-5516 WWB


ECLI:NL:CRVB:2016:1543

Inhoudsindicatie
Hennepkwekerij. Intrekking en terugvordering bijstand. Maatregel. Het college is er terecht van uitgegaan dat appellanten betrokken waren bij de hennepkwekerij. De stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij werd illegaal afgenomen door een illegale aftakking in de aansluitkast op het uitkeringsadres.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2016-04-26
Publicatiedatum
2016-05-02
Zaaknummer
14-5516 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5516 WWB


Datum uitspraak: 26 april 2016


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

24 september 2014, 13/339 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]


het college van burgemeester en wethouders van Deventer (college)



PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. F.J.M. Kobossen, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 29 september 2015, waar partijen niet zijn verschenen. Nadat was gebleken dat aan partijen een onjuiste berichtgeving was verstuurd, is het onderzoek na de zitting heropend.


Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 2 februari 2016. Namens appellanten is mr. Kobossen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.L.H. Deuzeman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten ontvingen bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Appellanten wonen op het [adres] in Deventer, waar zij een standplaats voor een woonwagen hebben gehuurd van de gemeente (uitkeringsadres). Op 19 april 2012 heeft de Politie IJsselland (politie) een onderzoek ingesteld op dit adres naar aanleiding van een melding van een derde over een aanwezige hennepkwekerij. Hierbij heeft de politie in een schuur in de achtertuin van de woonwagen aan het uitkeringsadres een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met 624 planten. Verder is geconstateerd dat vanuit de woonwagen van appellanten via een illegaal aangelegde aftakking stroom werd afgetapt ten behoeve van de kwekerij. Appellant is door de politie aangehouden en verhoord, maar heeft geen verklaring afgelegd over de aangetroffen hennepkwekerij. De politie heeft de in de hennepkwekerij aangetroffen goederen in beslag genomen. Van het onderzoek heeft de politie een proces-verbaal opgemaakt op 10 juli 2012. De politie heeft de onderzoeksgegevens verstrekt aan het college.


1.2.

De sociale recherche heeft een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 4 juli 2012. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 13 juli 2012, gehandhaafd bij besluit van 31 januari 2013 (bestreden besluit), de bijstand van appellanten over de periode van 17 februari 2012 tot en met 19 april 2012 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand ter hoogte van

€ 2.742,65 netto van hen terug te vorderen. Voorts heeft het college daarbij de bijstand van appellanten met ingang van 1 juni 2012 gedurende een maand verlaagd met 40% van de voor hen geldende norm.


1.3.

Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellanten werkzaamheden hebben verricht gericht op het exploiteren van een illegale hennepkwekerij, wat zij, in strijd met hun inlichtingenverplichting, niet aan het college hebben gemeld. Uit het proces-verbaal van de politie is gebleken dat de aangetroffen hennepplanten nagenoeg oogstrijp waren. Het college is gekomen tot een periode van negen weken van bedrijfsexploitatie. Het gaat daarbij om de periode van 17 februari 2012 tot en met 19 april 2012. Omdat appellanten er niet in zijn geslaagd met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat zij de kwekerij niet zelf hebben geëxploiteerd en ook overigens in het geheel geen inkomsten uit de hennepkwekerij hebben ontvangen, kan het recht op bijstand van appellanten over die periode niet worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben bestreden dat zij betrokken waren bij de hennepkwekerij. De schuur waarin de hennepkwekerij is aangetroffen behoort niet tot hun perceel maar staat op gemeentegrond. De stroomkabel die door de politie is aangetroffen is niet door appellanten aangelegd. Verder is de locatie van de schuur met daarin de hennepkwekerij niet eenduidig vastgelegd. Appellanten hebben bij hun beroepschrift twee foto’s gevoegd van het perceel met de bebouwing, maar de aanduiding van de locatie van de schuur op die twee foto’s is verschillend. Hierdoor is niet duidelijk in welke van de twee op het perceel aanwezige schuren de hennepplantage zich bevond. Ook is niet duidelijk waar de politie de sigarettenpeuk heeft gevonden met daarop het DNA van appellant. Het college heeft volgens appellanten een eigen interpretatie gegeven aan het strafprocesdossier maar niet gesteld dat appellant strafrechtelijk is veroordeeld. Subsidiair is aangevoerd dat appellanten geen financieel voordeel hebben gehad van de hennepkwekerij. Als al sprake zou zijn geweest van inkomsten, dan is ook sprake van kosten. Ten slotte is aangevoerd dat het college verzuimd heeft om een besluit te nemen op het verzoek om de kosten in bezwaar te vergoeden. Volgens de rechtbank was duidelijk dat geen aanleiding bestond tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar omdat het bezwaar ongegrond is verklaard. Appellant stelt zich echter op het standpunt dat in alle gevallen een besluit moet worden genomen over de kostenvergoeding indien daar om is gevraagd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ten aanzien van de intrekking en terugvordering van bijstand staat ter beoordeling de periode van 17 februari 2012 tot en met 19 april 2012 (periode in geding).


4.2.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het college er terecht van is uitgegaan dat appellanten in de periode in geding betrokken waren bij de hennepkwekerij. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Uit de aangifte van de stroomleverancier Enexis van 9 mei 2012 blijkt dat Enexis stroom levert naar het uitkeringsadres en dat een medewerker fraudebestrijding van Enexis op verzoek van de politie een onderzoek heeft ingesteld naar de meetinrichting op het uitkeringsadres. Daarbij is geconstateerd dat op het uitkeringsadres verboden handelingen zijn verricht aan de electriciteitsinstallatie en dat door de manipulatie illegaal stroom werd afgetapt ten behoeve van de hennepkwekerij. De bij dit onderzoek aanwezige verbalisant van de politie heeft in het proces-verbaal van 10 juli 2012 eveneens opgetekend dat is geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de kwekerij illegaal werd afgenomen door een illegale aftakking in de aansluitkast op het uitkeringsadres. Uit de aangifte van Enexis blijkt verder dat het deksel van de aansluitkast open stond. Dit is ook zichtbaar op de foto’s van de meterkast. Het is niet denkbaar dat dit appellanten niet zou zijn opgevallen. Uit het proces-verbaal aanhouding van 19 april 2012 blijkt voorts dat appellant, nadat hij geconfronteerd was met het vermoeden van een hennepkwekerij, met de politie buitenom naar de schuur is gelopen en de politie zelf in de schuur met daarin de hennepkwekerij heeft binnengelaten. Tenslotte blijkt uit het proces-verbaal sporenonderzoek van 20 april 2012 dat op de vloer van die schuur vijf sigarettenpeuken zijn gevonden. Van een van deze peuken is een DNA-match met appellant vastgesteld.


4.3.

Appellanten hebben aangevoerd onder overlegging van twee foto’s dat de locatie van de schuur met de hennepkwekerij niet eenduidig is vastgelegd. De exacte ligging van de schuur is in deze procedure niet relevant, nu op grond van meergenoemde aangifte en het

proces-verbaal van 10 juli 2012 vaststaat dat vanuit de aansluitkast van appellanten illegaal stroom is afgetapt ten behoeve van de hennepkwekerij, waarmee de betrokkenheid van appellanten bij die kwekerij vaststaat. Overigens is niet duidelijk van wie de tweede door appellanten overgelegde foto afkomstig is, in welk kader die is gebruikt en wie de bijschriften op de twee in hoger beroep ingezonden foto’s heeft geplaatst. Bovendien grenzen beide op de foto’s zichtbare schuren aan de woonwagen van appellanten.


4.4.

Dat de schuur illegaal is gebouwd en kan worden betwijfeld of appellanten daarvan eigenaar zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat hier immers niet om de vraag wie in formeel juridische zin eigenaar is van de schuur maar om de betrokkenheid van appellanten bij de hennepkwekerij.


4.5.

Dat appellant mogelijk niet strafrechtelijk is veroordeeld, heeft geen doorslaggevende betekenis. Naar vaste rechtspraak (uitspraak van 22 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5715) is de bestuursrechter in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. Dit geldt evenzeer in het geval het Openbaar Ministerie wegens gebrek aan bewijs geen strafvervolging heeft ingesteld.


4.6.

De subsidiair aangevoerde beroepsgrond dat ook kosten zijn gemaakt voor het inrichten van de hennepplantage slaagt evenmin. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 6 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU9167) is in het kader van de toepassing van de WWB bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen geen ruimte voor verrekening van verwervingskosten.


4.7.

Tegen de terugvordering van bijstand en de verlaging van de bijstand over de maand juni 2012 hebben appellanten geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd, zodat deze geen verdere bespreking behoeven.


4.8.

Indien in een besluit op bezwaar geen beslissing is opgenomen over de vergoeding van kosten moet ervan worden uitgegaan dat het verzoek om de kosten te vergoeden is afgewezen. Niet valt in te zien waarom dit onduidelijk voor appellanten zou zijn. Dit geldt temeer omdat het bezwaar van appellanten ongegrond is verklaard, in welk geval een kostenvergoeding niet voor de hand ligt.


4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2016.




(getekend) Y.J. Klik




(getekend) M.S. Spek




HD