Centrale Raad van Beroep, 09-05-2018 / 16/3761 WIA


ECLI:NL:CRVB:2018:1476

Inhoudsindicatie
Terecht en op juiste gronden heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de medische grondslag van bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. In hoger beroep herhaling van beroepsgronden, daarom volstaat verwijzing naar overwegingen 8 en 9 van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft terecht de beroepsgrond verworpen dat de voor appellant geselecteerde functies in medisch opzicht niet geschikt zijn. Daarbij is met juistheid verwezen naar de rapporten van 24 november 2015 en 29 januari 2016.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-05-09
Publicatiedatum
2018-05-18
Zaaknummer
16/3761 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

163761 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 april 2016, 15/3961 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



Datum uitspraak: 9 mei 2018


PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft zijn toenmalige gemachtigde mr. M. Rotgans, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is gedurende 40 uur per week werkzaam geweest als medewerker van een antiekmeubelzaak. Appellant is op 23 december 2012 uitgevallen wegens rugklachten. Hij had toen een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.


1.2.

Het Uwv heeft na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek bij besluit van 15 oktober 2014 vastgesteld dat appellant met ingang van 21 december 2014 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is.


1.3.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 17 juni 2015 (bestreden besluit 1), onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.


2.1.

Nadat appellant beroep had ingesteld tegen bestreden besluit 1 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant genomen. Bij besluit van 21 december 2015 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en vastgesteld dat appellant met ingang van 21 december 2014 recht heeft op een loongerelateerde WGA‑uitkering. De mate van zijn arbeidsongeschiktheid is met ingang van deze datum 47,66%.


2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1

niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Hiertoe is – samengevat – overwogen dat uit de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv blijkt dat de informatie van de behandelend specialisten van appellant bij de beoordeling in aanmerking is genomen en dat in zeer ruime mate rekening is gehouden met de beperkingen die appellant heeft door zijn rugklachten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep begrijpelijk zijn en steunen op de waargenomen en beschreven feiten en de ingebrachte medische stukken. Verder heeft de rechtbank over de geselecteerde voorbeeldfuncties overwogen dat in de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 november 2015 en 29 januari 2016 voldoende is gemotiveerd dat deze functies in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van appellant zoals omschreven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 november 2015.

3. Appellant heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar wat hij in beroep heeft aangevoerd, herhaald dat hij het niet eens is met de medische en arbeidskundige beoordeling. Hij heeft meer, dan wel verdergaande beperkingen, dan in de FML is aangenomen. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat de functie van vuilsorteerder met SBC-code 111340 niet geschikt is wegens de overschrijding van zijn mogelijkheden op de beoordelingspunten “duwen en trekken” en “torderen”. De functie van medewerker logistiek met SBC-code 111220 acht appellant niet geschikt, omdat deze vergelijkbaar is met de functie van magazijnmedewerker. Die functie is vervallen in beroep, omdat appellant niet in staat is om instructies in het Nederlands te lezen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het beroep wordt geacht te zijn gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond heeft verklaard.


4.2.

Terecht en op juiste gronden heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de medische grondslag van bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Nu appellant in hoger beroep heeft volstaan met een herhaling van de bij de rechtbank ingediende gronden en geen nadere onderbouwing heeft ingebracht van zijn standpunt dat het Uwv te weinig beperkingen in de FML heeft opgenomen, volstaat hier een verwijzing naar overwegingen 8 en 9 van de aangevallen uitspraak.


4.3.

Voorts heeft de rechtbank terecht de beroepsgrond verworpen dat de voor appellant geselecteerde functies in medisch opzicht niet geschikt zijn. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid verwezen naar de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 november 2015 en 29 januari 2016. In deze rapporten heeft deze arbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd dat de belasting ten aanzien van duwen en trekken in de functies van vuilsorteerder (SBC-code 111340) een toelaatbare overschrijding vormt van de mogelijkheden van appellant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 29 januari 2016 vermeld dat hij over de in deze functie voorkomende belasting contact heeft gehad met de arbeidskundig analist waarna hij de belasting op dit beoordelingspunt nogmaals besproken heeft met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de belasting op dit beoordelingspunt toelaatbaar geacht in verband met de lage frequentie waarin deze belasting voorkomt. Daarbij heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten aanzien van de belasting op het beoordelingspunt kortcyclisch torderen in deze functie naar voren gebracht dat ook wat betreft dit onderdeel overleg heeft plaatsgevonden met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze belasting vormt geen probleem, omdat appellant op dit beoordelingspunt niet is beperkt en het torderen vanuit staande houding betreft (wat minder intensief is). Er is geen aanleiding om dit onjuist te achten.


4.4.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft verder in het rapport van 29 januari 2016 vermeld dat het lezen in de functie van medewerker intern transport (logistiek) met SBC-code 111220 (functienummer 9251.0001.001) alleen het aflezen van numerieke codes betreft, het werk volledig voorgestructureerd is en zowel de assistent coördinator logistiek als collega’s een korte uitleg kunnen geven over de uit te voeren werkzaamheden. Het is in deze functie niet noodzakelijk om Nederlands te kunnen lezen. Opgemerkt kan worden dat dit anders is dan in de vervallen functie van magazijnmedewerker binnen dezelfde SBC-code (functienummer 6241.0167.012), in welke functie volgens de functiebeschrijving mondelinge en schriftelijk instructies worden ontvangen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft dan ook voldoende inzichtelijk en overtuigend toegelicht dat appellant tot deze functie in staat wordt geacht.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2018.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) M.A.A. Traousis




TM