Centrale Raad van Beroep, 09-05-2018 / 16/6812 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2018:1488

Inhoudsindicatie
Geen vaststelling hoger bedrag. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2014 daadwerkelijk meer AWBZ-zorg heeft ingekocht dan hij aanvankelijk op het verantwoordingsformulier pgb 2014 had vermeld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-05-09
Publicatiedatum
2018-05-24
Zaaknummer
16/6812 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

166812 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 september 2016, 15/4722 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


[Zorgkantoor] B.V. (Zorgkantoor)



Datum uitspraak: 9 mei 2018


PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door drs. J. de Blok. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.L.P. van Unnik.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant beschikte over een door CIZ afgegeven indicatie voor zorg op grond van het bepaalde krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).


1.2.

Het Zorgkantoor heeft uiteindelijk in verband met deze indicatie op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) aan appellant voor het jaar 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 3.292,95 (netto).


1.3.

Appellant heeft op 8 januari 2015 een verantwoordingsformulier over 2014 bij het Zorgkantoor ingediend, waarop is vermeld dat in de verantwoordingsperiode een bedrag van € 3.075,- is besteed aan zorg door [naam instelling] [plaats] .


1.4.

Bij besluit van 24 februari 2015 heeft het Zorgkantoor het pgb voor het jaar 2014 vastgesteld op € 3.292,95. Daarbij is vermeld dat aan appellant een pgb van € 3.292,95 is verleend, dat een verantwoordingsvrij bedrag van € 250,- geldt en dat van de door appellant ingezonden verantwoording een bedrag van € 3.075,- wordt geaccepteerd.


1.5.

Bij besluit van 2 april 2015 heeft CIZ appellant een hogere indicatie voor AWBZ-zorg verleend voor de periode van 30 juli 2014 tot en met 31 december 2014. Naar aanleiding van dit besluit heeft het Zorgkantoor bij besluit van 11 mei 2015 het pgb van appellant voor het jaar 2014 aangepast en hem een netto pgb van € 4.593,51 verleend.


1.6.

Bij besluit van 11 mei 2015 heeft het Zorgkantoor het pgb voor het jaar 2014 opnieuw vastgesteld, ditmaal op een bedrag van € 3.325,-. Daarbij is vermeld dat aan appellant een pgb van € 4.593,51 is verleend, dat een verantwoordingsvrij bedrag van € 250,- geldt en dat van de door appellant ingezonden verantwoording een bedrag van € 3.075,- wordt geaccepteerd. Appellant heeft recht op een nabetaling van € 32,05.


1.7.

Bij besluit van 26 juni 2015 (bestreden besluit 1) heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellant kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het Zorgkantoor heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van zijn bezwaar. Het gehele bedrag dat appellant heeft verantwoord, is goedgekeurd en op basis van dat gegeven is het pgb vastgesteld.


1.8.

Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.

1.9.

Bij besluit van 30 mei 2016 (bestreden besluit 2) heeft het Zorgkantoor opnieuw op het bezwaar van appellant beslist. Het Zorgkantoor heeft het bezwaar ongegrond verklaard en zich op het standpunt gesteld dat het pgb van appellant voor 2014 niet op een hoger bedrag kan worden vastgesteld. Appellant heeft geen betaalbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat hij meer zorg heeft verantwoord dan hij reeds had gedaan.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat als gevolg van de herziene indicatie aan appellant op 11 mei 2015 een hoger pgb is toegekend over 2014. Bevoorschotting was op dat moment niet meer mogelijk, omdat het kalenderjaar reeds was verstreken. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien om appellant te volgen in zijn standpunt dat het voorschot toch had moeten worden betaald. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in de periode van juli 2014 tot en met december 2014 daadwerkelijk meer AWBZ-zorg heeft ingekocht dan hij eerder op het verantwoordingsformulier pgb 2014 heeft vermeld. Vast staat dat appellant in ieder geval niet meer zorg heeft betaald. De ter zitting overgelegde facturen en de verklaringen van appellant bij de hoorzitting bieden onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat appellant wel meer AWBZ-zorg heeft ingekocht. Appellant heeft geen nadere stukken overgelegd om zijn standpunt te onderbouwen.


3. Appellant heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het Zorgkantoor heeft het gehele aanvankelijk door appellant over 2014 verantwoorde bedrag van € 3.075,- goedgekeurd en de uiteindelijke vaststelling van het pgb daarop gebaseerd. Het betoog van appellant komt erop neer dat het Zorgkantoor, als gevolg van het met terugwerkende kracht verlenen van een hogere indicatie door CIZ, een hoger pgb dient na te betalen.


4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2014 daadwerkelijk meer AWBZ-zorg heeft ingekocht dan hij aanvankelijk op het verantwoordingsformulier pgb 2014 had vermeld. Appellant heeft enkel facturen overgelegd over de tweede helft van 2014. Daarmee heeft hij niet inzichtelijk gemaakt hoeveel zorg over het gehele jaar 2014 is gefactureerd, op welke momenten er in dat jaar zorg is verleend en dat er in dat jaar daadwerkelijk meer betalingen voor in 2014 verleende zorg zijn geweest dan hij aanvankelijk had verantwoord. Het Zorgkantoor heeft het pgb van appellant dan ook niet hoger hoeven vast te stellen dan het heeft gedaan. Dit betekent dat het Zorgkantoor niet gehouden is om een hoger bedrag aan pgb aan appellant na te betalen.


4.3.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.P.A. Boersma en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2018.




(getekend) R.M. van Male




(getekend) R.H. Budde



UM