Centrale Raad van Beroep, 23-05-2018 / 15/4498 WAO


ECLI:NL:CRVB:2018:1520

Inhoudsindicatie
Terugvordering WAO-uitkering. Het Uwv heeft aannemelijk gemaakt dat betrokkene in de van belang zijnde periode werkzaam is geweest en uit deze werkzaamheden een inkomen heeft verworven dat meer bedroeg dan zijn zogeheten maatmaninkomen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-05-23
Publicatiedatum
2018-05-24
Zaaknummer
15/4498 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

154498 WAO, 16/1987 WAO, 16/6976 WAO





Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

19 mei 2015, 14/3065 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


de erven van [betrokkene] (betrokkene), laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



Datum uitspraak: 23 mei 2018


PROCESVERLOOP


Namens betrokkene heeft mr. T. Geerdink, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Partijen hebben nadere stukken ingediend.


Betrokkene is op 13 augustus 2017 overleden. Appellanten hebben de procedure voortgezet.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2018. Voor appellanten is verschenen [naam 1] , bijgestaan door mr. Geerdink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.



OVERWEGINGEN


1.1.

Betrokkene ontving een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.2.

Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke zorgfraude, waarin betrokkene als verdachte naar voren is gekomen, heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar zijn werkzaamheden ten behoeve van [BV 1] ( [BV 1] ) en/of [BV 2] ( [BV 2] ). De bevindingen van de opsporingsfunctionaris van het Uwv zijn neergelegd in het rapport werknemersfraude van 8 april 2014. Op grond van deze bevindingen heeft het Uwv bij besluit van 25 juni 2014 een bedrag van € 50.833,15 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 1 augustus 2009 tot en met 29 februari 2012 van betrokkene teruggevorderd. Bij besluit van 25 augustus 2014 heeft het Uwv, met toepassing van artikel 44 van de WAO, de uitbetaling van de WAO-uitkering op nihil gesteld over de periode van

1 augustus 2009 tot 1 maart 2012 in verband met het feit dat betrokkene inkomen heeft ontvangen bij [BV 1] of [BV 2] .


1.3.

De bezwaren van betrokkene tegen de onder 1.2 genoemde besluiten zijn bij besluit van 24 oktober 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het Uwv aannemelijk gemaakt dat betrokkene in de van belang zijnde periode werkzaam is geweest en uit deze werkzaamheden een inkomen heeft verworven dat meer bedroeg dan zijn zogeheten maatmaninkomen. Het Uwv heeft terecht de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid met toepassing van artikel 44 van de WAO over de periode 1 januari 2009 tot en met 29 februari 2012 vastgesteld op minder dan 15%. Tegen de hieruit voortvloeiende terugvordering heeft betrokkene geen afzonderlijke gronden geformuleerd.

2.2.

De rechtbank heeft overwogen dat de rapporteur in het rapport werknemersfraude heeft geconcludeerd dat betrokkene ten behoeve van [BV 1] en [BV 2] werkzaamheden heeft verricht en daarvoor betalingen heeft ontvangen. De rapporteur komt tot deze conclusies onder meer op grond van de bevindingen van de inspectie SZW na een analyse van de betalingen die zijn gedaan op de aan betrokkene toebehorende bankrekeningen. Bij de overboekingen werden omschrijvingen gebruikt die duidden op werkzaamheden, zoals ‘werving’, ‘geleverde diensten’, ‘wervingskosten’, ‘werving km’ en ‘vertaling’. Dat betrokkene dergelijke werkzaamheden heeft verricht is vervolgens bevestigd in diverse verklaringen van getuigen. Voorts is uit de verklaring van [naam 2] geconcludeerd dat betrokkene in 2009 diens bankrekeningnummer heeft gebruikt om betalingen door [BV 1] op te laten overmaken. Deze gelden heeft appellant later van [naam 2] weer ontvangen. Uit het ‘persoonlijk zorgplan’ kan de rechtbank niet anders dan afleiden dat betrokkene ondanks zijn ziekte in staat is geweest om werkzaamheden te verrichten en dit feitelijk ook heeft gedaan. De rechtbank heeft daarbij enkele passages uit het zorgplan aangehaald waarin wordt gerefereerd aan door betrokkene verricht of te verrichten werk. De stelling van betrokkene dat de betalingen op zijn rekeningen stortingen ten gunste van zijn zoons betroffen is niet met enig (begin van) bewijs gestaafd. Er is dan ook geen reden te twijfelen aan de conclusies die het Uwv in zijn rapporten met betrekking tot de geldstromen heeft getrokken.


3.1.

In hoger beroep hebben appellanten in essentie de door betrokkene in beroep aangevoerde gronden herhaald. Uit het medisch dossier kan worden geconcludeerd dat betrokkene feitelijk niet in staat was tot het verrichten van arbeid. Hij was betrokken bij de bureaus [BV 1] en [BV 2] als lid van de cliëntenraad. Hij heeft in die rol geen op geld waardeerbare arbeid verricht. Op een dag waarop hij zich goed voelde, heeft hij wel eens taken van adviserende en ondersteunende aard verricht. Daarnaast hielp hij zijn zoons op dezelfde wijze wel eens met hun bedrijf. Uit het zorgplan blijkt juist dat betrokkene intensieve verzorging nodig had. Over een periode van meerdere jaren vormt een tiental dagen waarop gesproken wordt over afwezigheid thuis van betrokkene geen bewijs dat hij arbeid heeft verricht. Hij was niet in staat tot het verrichten van wervingsactiviteiten, vertalingswerkzaamheden, patiëntenbegeleiding of taxiritten. De gelden die door [BV 1] en [BV 2] zijn overgemaakt op de bankrekeningen van betrokkene betroffen onkostenvergoedingen van betrokkene en inkomsten van zijn zoons. De terugbetalingen van [naam 2] hielden verband met een geldlening. Appellanten hebben benadrukt dat het benutten van connecties om andere mensen te helpen nog geen werk is. Zij hebben in dit verband toegelicht dat betrokkene – om geen gezichtsverlies te lijden binnen zijn netwerk – zich beter voordeed dan hij zich daadwerkelijk voelde en derden vertelde dat hij werkzaam was bij [BV 1] en daarbij zijn positie binnen [BV 1] overdreef.


3.2.

Ter zitting hebben appellanten het hoger beroep, voor zover dat mede was gericht tegen het besluit van het Uwv van 10 maart 2016 inzake een met betrokkene getroffen betalingsregeling, ingetrokken.

3.3.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het bestreden besluit is een belastend besluit waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Dit brengt mee dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 44 van de WAO en terugvordering van de uitkering is voldaan. Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat betrokkene werkzaamheden heeft verricht die op grond van artikel 44 van de WAO van invloed zijn op de uitbetaling van de uitkering, ligt het op de weg van appellanten de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.


4.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv aan deze bewijslast heeft voldaan en dat appellanten het benodigde tegenbewijs niet hebben geleverd. De overwegingen van de rechtbank worden geheel onderschreven. Hieraan wordt nog het volgende toegevoegd. Niet in geschil is dat in de periode in geding in totaal € 111.729,15 is overgemaakt van bankrekeningen van [BV 1] en [BV 2] op bankrekeningen ten name van betrokkene. De verklaring dat het grotendeels zou gaan om betalingen ten behoeve van de twee zoons van betrokkene, omdat zij niet verstandig met geld zouden kunnen omgaan, is ongeloofwaardig en op geen enkele wijze onderbouwd. Dat andere betalingen slechts onkostenvergoedingen van betrokkene zouden betreffen is eveneens ongeloofwaardig, gelet op de hoogte van de bedragen, het ontbreken van specificaties en de omschrijvingen (weergegeven in 2.2) die wijzen op door betrokkene verrichte werkzaamheden. Ter onderbouwing van de stelling dat betrokkene door zijn slechte gezondheid niet in staat was werkzaamheden te verrichten hebben appellanten weliswaar een uitgebreid medisch dossier overgelegd, waaruit blijkt dat betrokkene in de periode in geding een groot aantal ernstige klachten had, maar daaruit volgt niet dat hij in het geheel niet in staat was om werkzaamheden te verrichten. Uit aantekeningen uit het persoonlijk zorgplan van betrokkene, verspreid over de periode in geding, blijkt dat hij op verschillende momenten heeft gewerkt. Verder hebben meerdere getuigen verklaard dat betrokkene werkzaam was als netwerkfunctionaris voor [BV 1] en zich bezighield met onder meer het werven van cliënten en het plannen en verantwoorden van zorgactiviteiten. Appellanten hebben deze verklaringen niet gemotiveerd betwist en er is geen aanleiding om hieraan te twijfelen.


4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2018.



(getekend) E. Dijt




(getekend) J.R. Trox



UM