Centrale Raad van Beroep, 24-05-2018 / 16/2408 WIA


ECLI:NL:CRVB:2018:1528

Inhoudsindicatie
WIA-uitkering terecht geweigerd. Geen twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Toereikend gemotiveerd dat de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-05-24
Publicatiedatum
2018-05-28
Zaaknummer
16/2408 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

162408 WIA


Datum uitspraak: 24 mei 2018


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

9 maart 2016, 15/7536 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[Appellante] te [woonplaats] (appellante)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. drs. P.H.J. Körver, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 21 juli 2016 aan de Raad gestuurd.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A. Cremer, kantoorgenoot van mr. Körver. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is werkzaam geweest als schoonmaakster. Zij heeft zich ziek gemeld voor haar werkzaamheden wegens hypertensie, hoofdpijn, vermoeidheid, duizeligheid en vergeetachtigheid na een intracerebrale bloeding op 27 maart 2013. Op 9 december 2014 heeft appellante een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).


1.2.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 2 februari 2015 vastgesteld dat appellante met ingang van 25 maart 2015 geen recht heeft op een WIA-uitkering. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van

14 september 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, met verwijzing naar een rapport van 18 augustus 2015 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van

11 september 2015 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar klachten onvoldoende zijn onderzocht en dat te weinig rekening is gehouden met haar medische problemen. De verzekeringsartsen hebben niet uitgezocht waar de duizeligheid en temporele blindheid vandaan komen en het zijn juist deze factoren die de arbeidsongeschiktheid van appellante bepalen.


3.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van de bevindingen bij eigen onderzoek en bestudering van de gedingstukken, waaronder rapporten van de behandelend sector, inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom hij geen grond ziet voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts verrichte medische beoordeling.



4.2.

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende aandacht is besteed aan de klachten van appellante. De verzekeringsartsen hebben appellante onderzocht en informatie van behandelend artsen bij de beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de vele beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) passen bij de vastgestelde vasculaire pathologie met hypertensie en dat de beperkingen goed overeen komen met de ernst van de beperkingen zoals vastgesteld bij het onderzoek. Nu appellante geen nadere onderbouwing heeft ingediend die twijfel zou kunnen oproepen aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen, slaagt de beroepsgrond dat niet met alle klachten voldoende rekening is gehouden en dat als gevolg daarvan de arbeidsbeperkingen van appellante zijn onderschat, niet.


4.3.

Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat, uitgaande van de juistheid van de FML van 16 januari 2015, appellante in staat was de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 11 september 2015 en

21 juli 2016 toereikend gemotiveerd dat die functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.


4.4.

Gelet op wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van

H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2018.



(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum




(getekend) H. Achtot




OS