Centrale Raad van Beroep, 28-05-2018 / 15/5887 WIA


ECLI:NL:CRVB:2018:1546

Inhoudsindicatie
Toekenning WGA-uitkering. Er was geen sprake van duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Toewijzing vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de WGA-uitkering die wordt nabetaald.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-05-28
Publicatiedatum
2018-05-30
Zaaknummer
15/5887 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • SZR-Updates.nl 2018-0052
Uitspraak

155887, 17/7120 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

14 juli 2015, 15/987 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



Datum uitspraak: 28 mei 2018


PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R. Zwiers, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Appellant heeft nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Zwiers. Het Uwv was vertegenwoordigd door

mr. A.J.G. Lindeman.


De Raad heeft vervolgens besloten tot heropening van het onderzoek en inschakeling van een psychiater als onafhankelijk deskundige.


De deskundige heeft op 6 september 2017 een rapport uitgebracht.


Het Uwv heeft een nieuwe beslissing op bezwaar, gedateerd 4 oktober 2017, ingediend.


Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.


Er heeft een nader onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 15 februari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Zwiers. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. Lindeman. Het onderzoek ter zitting is geschorst in afwachting van een nader rapport van het Uwv.


Het Uwv heeft vervolgens een nader rapport ingediend.


Appellant heeft nog nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting is hervat op 16 april 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Zwiers. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. Lindeman en J.J.L. Oomens.



OVERWEGINGEN


1.1.

Bij besluit van 19 augustus 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 19 september 2011 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij beslissing op bezwaar van 24 januari 2012 heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 19 augustus 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.


1.2.

Op 3 juli 2012 is appellant uitgevallen voor zijn werk als calculator bij een glasvezelbedrijf. Hem is een uitkering toegekend op grond van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 6 juni 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat de ZW-uitkering op 30 juni 2014 eindigt.


1.3.

Op 20 mei 2014 heeft appellant een aanvraag ingediend bij het Uwv voor een WIA-uitkering. Bij besluit van 30 juli 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering met ingang van 1 juli 2014, dat het hem toegekende voorschot op een WIA-uitkering wordt beëindigd op 1 augustus 2014 en dat het bedrag aan uitbetaald voorschot zal worden verrekend met een eventuele nabetaling op grond van de Werkloosheidswet of van appellant teruggevorderd. Het door appellant tegen het besluit van 30 juli 2014 gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij de beslissing op bezwaar van

15 januari 2015 (bestreden besluit 1).


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.


3.1.

In hoger beroep is prof. dr. G. Glas, psychiater, benoemd om als onafhankelijk deskundige de Raad van onderzoek en advies te dienen.


3.2.

Het Uwv heeft in zijn rapport van 6 september 2017 aanleiding gezien om bij de gewijzigde beslissing op bezwaar van 4 oktober 2017 vast te stellen dat voor appellant met ingang van 1 juli 2014 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid op medische gronden is bepaald op 100%. Daarbij is vermeld dat over de toekenning van een loonaanvullende uitkering in aansluiting op het einde van de loongerelateerde periode, die is bepaald op 30 maart 2015, nog besluiten zullen volgen, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele inkomsten uit arbeid.


3.3.1.

Appellant is het met het bestreden besluit 2 niet eens. Hij heeft aangevoerd dat de WGA-uitkering per eerdere datum, namelijk met ingang van 19 september 2011, moet worden verstrekt. Verder heeft hij aangevoerd dat hij met ingang van 1 juli 2014 recht heeft op een IVA-uitkering, omdat hij vanaf die datum volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Hiertoe heeft hij onder meer gewezen op een besluit van het Uwv van 18 januari 2018, waarbij hem met ingang van 30 juni 2016 een IVA-uitkering is toegekend. Deze ingangsdatum bestrijdt hij eveneens. Verder heeft hij gewezen op het rapport van de deskundige, waaruit volgens hem blijkt dat hij reeds op 1 juli 2014 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was.


3.3.2.

Appellant heeft verder gesteld dat de besluitvorming van het Uwv hem schade heeft toegebracht en hij heeft een verzoek om schadevergoeding gedaan.


3.4.

Het Uwv heeft naar aanleiding van de nadere gronden van appellant tegen het bestreden besluit 2 geen aanleiding gezien tot wijziging van het in hoger beroep ingenomen nadere standpunt.


4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.2.

Het besluit van 4 oktober 2017 (bestreden besluit 2) wordt met toepassing van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling betrokken.


4.3.

Aangezien het Uwv met bestreden besluit 2 bestreden besluit 1 niet langer handhaaft, slaagt het hoger beroep van appellant. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, evenals het bestreden besluit 1.


4.4.

Met de beroepsgrond die appellant heeft aangevoerd tegen de ingangsdatum van de WGA-uitkering kan appellant in dit geding niet bereiken dat een oordeel wordt gegeven over het recht op een WIA-uitkering per 19 september 2011, waarop de in 1.1 genoemde besluitvorming van het Uwv ziet. Ter beoordeling ligt voor het recht op uitkering op grond van de Wet WIA aan het einde van de op 30 juni 2014 volgemaakte wachttijd. De beroepsgrond valt buiten de omvang van dit geding en daarom zal de Raad daarover in deze procedure geen oordeel geven.


4.5.

De beroepsgrond van appellant die ziet op de ingangsdatum van de inmiddels toegekende IVA-uitkering valt eveneens buiten de omvang van dit geding en zal daarom evenmin worden besproken.


4.6.

Ter beoordeling ligt alleen voor de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 1 juli 2014 moet worden geacht tevens duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat hij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van de bij het bestreden besluit 2 vastgestelde WGA-uitkering.


4.7.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.


4.8.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) geoordeeld dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkeling van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.


4.9.

Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapport van 20 februari 2018 inzichtelijke gemaakt dat er een redelijke tot goede verwachting bestaat dat verbetering van de belastbaarheid van appellant na een jaar zal optreden bij adequate behandeling van de vastgestelde depressieve stoornis en persoonlijkheidsstoornis. Appellant is sinds december 2012 onder behandeling geweest bij drs. A.M. van Haaften, psycholoog waarbij sprake was van een langzaam maar zekere vooruitgang na EMDR-behandeling. Naast de, inmiddels op laagfrequente basis, behandeling bij Van Haaften is appellant sinds april 2014 tevens onder wekelijkse behandeling bij De Waag bij psychiater W.M. Huizinga en psycholoog

B. van Wolffelaar. Uit de brief van De Waag van 27 juni 2014 blijkt dat sprake is van individuele behandeling binnen een cognitief- en gedragstherapeutisch kader en daarnaast psychiatrische consulten, waarbij verbetering op langere termijn wordt verwacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend gemotiveerd dat er op de datum in geding van 1 juli 2014 een redelijke tot goede verwachting was dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden na het eerstkomende jaar en dat dus geen sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA.


4.10.

Gelet op de overwegingen 4.6 tot en met 4.9 slaagt het beroep tegen het bestreden besluit 2 niet.


4.11.

Het verzoek van appellant om een veroordeling tot het vergoeden van schade in de vorm van wettelijke rente over de WGA-uitkering die wordt nabetaald, komt voor toewijzing in aanmerking. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958. Voor zover appellant (een deel van) het teruggevorderde bedrag heeft terugbetaald is ingevolge artikel 4:102, eerste lid, van de Awb de wettelijke rente over dat bedrag verschuldigd vanaf de dag dat feitelijk onverschuldigd is betaald. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarnaast nog sprake is van geleden materiële dan wel immateriële schade wegens oplopen van lichamelijk letsel dan wel aantasting in zijn persoon. Het verzoek om schadevergoeding wordt voor het overige dan ook afgewezen.


4.12.

Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op

€ 1.002,- in bezwaar (2 punten), € 1.002,- in beroep (2 punten) en € 2.004 in hoger beroep

(4 punten) voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 4.008,-.




























BESLISSING



De Centrale Raad van Beroep:


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 15 januari 2015;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2017 ongegrond;

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade aan appellant zoals onder 4.11 van deze uitspraak is vermeld;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 4.008,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2018.



(getekend) M. Greebe




(getekend) I.G.A.H. Toma




CVG