Centrale Raad van Beroep, 23-05-2018 / 16/2188 WIA


ECLI:NL:CRVB:2018:1548

Inhoudsindicatie
Met de onderbouwing van het Uwv is niet voldaan aan de voorwaarde dat als de verzekerde niet beschikt over het vereiste (of een daarmee ten minste gelijk te stellen) diploma in onderwijskundig opzicht moet zijn aangetoond, en daarmee boven twijfel verheven, dat de door een verzekerde opgedane kennis in zijn opleiding ten minste gelijk is aan die welke benodigd is voor het behalen van het voor de functie vereiste diploma. De motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat de opleiding van appellante in combinatie met haar werkervaring toereikend is voor de functies, is in het licht van de in 4.2.1 genoemde rechtspraak geen deugdelijke motivering.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-05-23
Publicatiedatum
2018-05-30
Zaaknummer
16/2188 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

16/2188 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

26 februari 2016, 15/3166 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 23 mei 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.G.C. van Ingen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ingen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante was werkzaam als helpdeskmedewerkster voor 28,74 uur per week toen zij zich op 8 februari 2011 voor dit werk ziek meldde wegens moeheid en ontstekingen als gevolg van sarcoïdose. Zij heeft nadien hervat in aangepast werk als servicedeskmedewerkster voor 16 uur per week. Na het doorlopen van de wachttijd van 104 weken heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 10 maart 2013 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 44,32%.


1.2.

Op 16 december 2013 heeft appellante een verzoek om herkeuring gedaan wegens een verslechtering van de medische situatie. Daarbij heeft zij meegedeeld dat zij zich per

24 mei 2013 heeft ziek gemeld voor het aangepaste werk. In het kader van een herbeoordeling is appellante onderzocht op het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv. Deze arts heeft de beperkingen van appellante weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 juli 2014. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 69,56%. Bij besluit van 26 november 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat de hoogte van de WIA-uitkering van appellante niet is gewijzigd. Zowel appellante als haar werkgever hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt.


1.3.

Bij besluit van 14 april 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante en van haar werkgever tegen het besluit van 26 november 2014 ongegrond verklaard, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van

1 april 2015. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is gehandhaafd op 69,56% en aanleiding gezien met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 24 mei 2013 vast te stellen op 69,67%. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat sarcoïdose gepaard gaat met vermoeidheid en dat in zoverre de oorzaak geobjectiveerd is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de urenbeperking onjuist is en heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd waarom er geen reden is om appellante beperkt te achten voor het werken met stof, rook, gassen en dampen. De rechtbank heeft geoordeeld dat, gelet op de in beroep gewijzigde selectie van functies, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in beroep uiteindelijk wordt vastgesteld op 69,67%.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat de artsen van het Uwv haar medische beperkingen hebben onderschat. Naar de mening van appellante dient een beperking voor huidcontact en voor stof, rook, gassen en dampen en een verdergaande urenbeperking in de FML te worden opgenomen. Appellante meent dat de functie van administratief medewerker (SBC-code 315090) niet geschikt is, omdat zij niet aan de voor deze functie gestelde diploma-eis voldoet. Haar belastbaarheid op het aspect boven schouderhoogte actief zijn wordt in die functie overschreden. Over de functie archiefmedewerker, medewerker bibliotheek (SBC-code 315130) heeft appellante gesteld dat zij niet voldoet aan de diploma-eis die is gesteld. Verder is de functie volgens appellante niet geschikt, omdat er te lang gestaan moet worden. De in de beroepsfase door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functie van medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010) is ook ongeschikt. In deze functie wordt de belastbaarheid van appellante op het beoordelingspunt staan en lopen ontoelaatbaar overschreden en is veelvuldig sprake van huidcontact.


3.2.

Het Uwv heeft onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 juni 2016 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 juni 2016 bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de beperkingen van appellante niet zijn onderschat. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Bij gebrek aan onderbouwing met medische gegevens kan appellante niet worden gevolgd in haar standpunt dat te weinig beperkingen in de FML van 1 juli 2014 zijn neergelegd.


4.2.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is allereerst in geschil de vraag of appellante voldoet aan de opleidingseis van de functies van

administratief medewerker (SBC-code 315090) en archiefmedewerker, medewerker bibliotheek (SBC-code 315130). In de arbeidsmogelijkhedenlijst staat bij deze functies vermeld: “Functieniveau 3. Opleidingsniveau 3. Voorbereidend Middelbaar Beroeps Onderwijs (VMBO) afgesloten met een diploma of andere opleidingen op dit niveau. Opleiding: Diploma VMBO, theoretische leerweg. Ervaring: Niet vereist.”


4.2.1.

Naar vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 26 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1970) kan een functie waarvoor een diploma-eis wordt gesteld niet aan een verzekerde worden opgedragen als die verzekerde niet beschikt over het vereiste (of een daarmee ten minste gelijk te stellen) diploma. Daarbij is overwogen dat een strikte diploma-eis niet kan worden gecompenseerd door een (andere) opleiding, al dan niet aangevuld met een door de betrokken arbeidsdeskundige van belang geachte praktische ervaring. Onder omstandigheden kan aan een diploma-eis worden voldaan als de verzekerde een opleiding heeft gevolgd die in het verlengde ligt van de opleiding waarvoor een diploma wordt verlangd en die opleiding weliswaar niet met een diploma heeft afgesloten, maar daarin wel geacht kan worden een zodanige kennis te hebben opgedaan dat de opleiding met de gestelde diploma-eis gelijk kan worden gesteld. Tot een dergelijke gelijkstelling kan echter niet lichtvaardig worden geconcludeerd. Daarbij speelt een rol dat een diploma slechts wordt behaald nadat aan een algemeen geldende toets wordt voldaan, wat niet geldt voor een voortijdig afgebroken opleiding. In onderwijskundig opzicht moet zijn aangetoond, en daarmee boven twijfel verheven, dat de opgedane kennis ten minste gelijk is aan die welke benodigd is voor het behalen van het voor de functie vereiste diploma.


4.2.2.

Appellante heeft het lager economisch en administratief onderwijs (leao) met een diploma afgesloten en voldoet hiermee aan het opleidingsvereiste van de functies, niveau 3. Niet in geschil is echter dat appellante niet beschikt over het voor de vervulling van de functies van administratief medewerker en archiefmedewerker, medewerker bibliotheek vereiste diploma vmbo-tl. Verder is niet gesteld of gebleken dat appellante een opleiding heeft gevolgd die in het verlengde ligt van de opleiding waarvoor het voornoemde vereiste diploma wordt verlangd.


4.2.3.

Ter onderbouwing dat appellante desondanks voldoende gekwalificeerd is voor het vervullen van de functies van administratief medewerker en archiefmedewerker heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep volgens het rapport van 16 juni 2016 navraag gedaan bij een arbeidsdeskundig-analist. De arbeidskundig-analist is uit overleg met de geënquêteerde werkgever van de functie in SBC-code 315090 gebleken dat niet alle werknemers in de functie van administratief medewerker beschikken over een mulo-, mavo- of het huidige vmbo-tl-diploma en dat er ten minste één werknemer met het leao-diploma in de functie is aangenomen. De arbeidsdeskundig-analist heeft voor de functie in SBC-code 315130 gesteld dat het vroegere LEAO-diploma gelijk is te stellen met een VMBO-diploma. In combinatie met de werkervaring zou appellante inderdaad bij de werkgever aangenomen kunnen worden.


4.2.4.

Met deze onderbouwing van het Uwv is niet voldaan aan de in 4.2.1 vermelde voorwaarde dat als de verzekerde niet beschikt over het vereiste (of een daarmee ten minste gelijk te stellen) diploma in onderwijskundig opzicht moet zijn aangetoond, en daarmee boven twijfel verheven, dat de door een verzekerde opgedane kennis in zijn opleiding ten minste gelijk is aan die welke benodigd is voor het behalen van het voor de functie vereiste diploma. De motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat de opleiding van appellante in combinatie met haar werkervaring toereikend is voor de functies, is in het licht van de in 4.2.1 genoemde rechtspraak geen deugdelijke motivering.


4.3.

Naar vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 3 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3824) dient te worden uitgegaan van de juistheid van de gegevens van het Claimbeoordeling- en Borgingssysteem (CBBS). Ten tijde in geding gold, blijkens de arbeidsmogelijkhedenlijst bij de functies van administratief medewerker (SBC-code 315090) en archiefmedewerker, medewerker bibliotheek (SBC-code 315130) de diploma-eis vmbo-tl.

Uit het voorgaande volgt dat appellante niet voldoet aan de opleidingseis van de functies administratief medewerker (SBC-code 315090) en archiefmedewerker, medewerker bibliotheek (SBC-code 315130), zodat deze functies ten onrechte aan de schatting ten grondslag zijn gelegd. Het vervallen van deze functies leidt ertoe dat er onvoldoende geschikte functies resteren die aan de schatting ten grondslag gelegd kunnen worden. Dat betekent dat aangenomen moet worden dat appellante per 24 mei 2013, 100% arbeidsongeschikt is te achten.


4.4.

Op grond van wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep en moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd, voor zover daarbij is bepaald dat de WIA-uitkering van appellante met ingang van 24 mei 2013 wordt herzien naar de arbeidsongeschiktheid van 69,67%. Er is, gelet op wat onder 4.3 is overwogen, aanleiding om te bepalen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 24 mei 2013 wordt vastgesteld op 100%.


4.5.

Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.002,-



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevallen;
  • - herroept het besluit van 26 november 2014;
  • - bepaalt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 24 mei 2013, 100% bedraagt;
  • - bepaalt dat deze uitspraak van de Raad in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 14 april 2015;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.002,-;
  • - bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2018.




(getekend) M.C. Bruning




(getekend) R.P.W. Jongbloed




CVG