Centrale Raad van Beroep, 22-05-2018 / 17/5581 PW


ECLI:NL:CRVB:2018:1555

Inhoudsindicatie
Het onaangekondigd huisbezoek is een feitelijke handeling en niet vatbaar voor bezwaar of beroep. Herhaling gronden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-05-22
Publicatiedatum
2018-06-04
Zaaknummer
17/5581 PW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

175581 PW


Datum uitspraak: 22 mei 2018


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland

van 19 juli 2017, 17/541 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)


het college van burgemeester en wethouders van Súdwest Fryslân (college)



PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft W. de Boer hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2018. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.G. Hoekstra.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante heeft op zich op 1 oktober 2016 gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Participatiewet en heeft deze aanvraag op 1 november 2016 ingediend. In het kader van deze aanvraag heeft appellante opgegeven dat zij met haar twee kinderen woont

op het adres [adres] (opgegeven adres).


1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding, hebben medewerkers van de gemeente Súdwest Fryslân op 2 november 2016 een onaangekondigd huisbezoek afgelegd aan het opgegeven adres. Appellante heeft toestemming gegeven voor het afleggen van een huisbezoek en heeft het formulier toestemming huisbezoek ingevuld en ondertekend.


1.3.

Appellante heeft op 12 december 2016 bezwaar gemaakt tegen het onaangekondigde huisbezoek van 2 november 2016.


1.4.

Bij besluit van 20 januari 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het afleggen van een huisbezoek moet worden beschouwd als een feitelijke handeling. Een feitelijke handeling is geen publiekrechtelijke rechtshandeling en derhalve niet vatbaar voor bezwaar en beroep.


1.5.

Het college heeft aan appellante met ingang van de meldingsdatum bijstand verleend.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen, waarbij appellante als eiseres en het college als verweerder is aangeduid:


“Ingevolge artikel 1:3 van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.


Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat een onaangekondigd huisbezoek een feitelijke handeling is die op zichzelf niet vatbaar is voor bezwaar of beroep. Dit betekent dat verweerder het bezwaarschrift dat was gericht tegen het onaangekondigde huisbezoek terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.”


3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft, samengevat, aangevoerd dat het besluit tot een huisbezoek een publiekrechtelijke rechtshandeling is, gericht op rechtsgevolg. Dit huisbezoek heeft inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 10, eerste lid, van de Grondwet en is een aantasting van de persoon in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van

wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust.


4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2018.





(getekend) G.M.G. Hink




De griffier is verhinderd te ondertekenen.






LO