Centrale Raad van Beroep, 22-05-2018 / 16/6422 PW


ECLI:NL:CRVB:2018:1561

Inhoudsindicatie
Op geld waardeerbare activiteiten. Geen gegevens over omvang en duur werkzaamheden. Het recht op bijstand is niet vast te stellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-05-22
Publicatiedatum
2018-06-04
Zaaknummer
16/6422 PW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

166422 PW, 16/6475 PW, 16/6479 PW


Datum uitspraak: 22 mei 2018


Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam

van 2 september 2016, 16/833, 16/1244 en 16/1246 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)


het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)



PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. W.J.A. Vis hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vis. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving vanaf 1 januari 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande ouder.


1.2.

Naar aanleiding van een melding van de Belastingdienst op 8 oktober 2015 dat appellante naast bijstand de beschikking heeft over gelden van de [Stichting] (Stichting) en dat zij mogelijk van [naam] , handelend onder de naam [handelsnaam] ,

een vergoeding ontvangt voor haar werkzaamheden voor [handelsnaam] , heeft een handhavingsspecialist van de afdeling Controle van Handhaving Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (handhavingsspecialist) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de handhavingsspecialist onder meer dossieronderzoek gedaan, bij diverse instanties, waaronder de Kamer van Koophandel, gegevens opgevraagd, waarnemingen verricht en appellante bij brief van 3 november 2015 uitgenodigd voor een gesprek op 12 november 2015 met medeneming van nader in die brief genoemde gegevens, waaronder bankafschriften van al haar rekeningen, de boekhouding

van [handelsnaam] , de Stichting en [naam bedrijf] vanaf 1 januari 2013 alsmede bankafschriften van de zakelijke bankrekeningen vanaf 1 januari 2013 van die bedrijven. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 25 november 2015.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om, na opschorting van het recht op bijstand met ingang van 12 november 2015, bij besluit van 30 november 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 januari 2016 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante per 1 januari 2013 in te trekken. Aan bestreden besluit 1 heeft het college, kort weergegeven, ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met de op haar rustende

wettelijke inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt van op geld waardeerbare werkzaamheden met als gevolg dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


1.4.

Bij besluit van 9 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 januari 2016 (bestreden besluit 2), heeft het college voorts de ten onrechte verstrekte bijstand tot een bedrag van € 45.386,58 (€ 35.611,25 bruto over 2013 en 2014 en € 9.775,33 netto over 2015) van appellante teruggevorderd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond zijn verklaard. Zij heeft aangevoerd dat steeds recht op bijstand heeft bestaan en dat het college ten onrechte dit recht op bijstand niet heeft vastgesteld.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 januari 2013, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 30 november 2015, de datum van het intrekkingsbesluit.


4.2.

Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat appellante in de te beoordelen periode de

op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van haar activiteiten voor de Stichting, [handelsnaam] en [naam bedrijf] .


4.3.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.


4.4.

Appellante is daarin niet geslaagd. Niet in geschil is dat de door appellante verrichte activiteiten zijn aan te merken als op geld waardeerbare werkzaamheden. Appellante heeft geen administratie van deze werkzaamheden en het mogelijk daaruit verkregen inkomen bijgehouden. Ook anderszins heeft appellante geen concrete en verifieerbare gegevens overgelegd over de omvang en duur van haar werkzaamheden voor de Stichting, [handelsnaam]

en [naam bedrijf] . Anders dan in de uitspraak waarnaar appellante heeft verwezen (uitspraak van 10 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:246), bestaat in het onderhavige geschil geen duidelijkheid over het aantal uren dat appellante werkzaamheden heeft verricht. Appellante heeft wel gesteld dat deze werkzaamheden zeer beperkt waren en dat zij daarmee geen inkomsten heeft gegenereerd, maar zij heeft ter onderbouwing van deze stelling geen enkel concreet en verifieerbaar gegeven aangedragen. Uit het dossier blijkt ook niet dat appellante, zoals zij stelt, pogingen heeft gedaan om gegevens te achterhalen op basis waarvan het recht op bijstand kan worden vastgesteld en dat dit onmogelijk is gebleken. Met de rechtbank en het college en anders dan appellante is de Raad dan ook van oordeel dat als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld.


4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.








BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en W.F. Claessens en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2018.





(getekend) E.C.R. Schut




(getekend) F. Demiroğlu






LO