Centrale Raad van Beroep, 15-05-2018 / 16/5422 PW


ECLI:NL:CRVB:2018:1573

Inhoudsindicatie
Intrekken bijstand op grond van contant geld dat is opgenomen met een creditcard. Het recht op bijstand is niet vast te stellen omdat de geldstroom niet duidelijk is geworden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-05-15
Publicatiedatum
2018-06-04
Zaaknummer
16/5422 PW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

165422 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 juli 2016, 16/2166 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)



Datum uitspraak: 15 mei 2018


PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. Ö. Arslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Arslan. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L. Catakli. Ter zitting was tevens aanwezig de tolk E. Battaloglu.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 29 augustus 2013 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

Naar aanleiding van een op 14 april 2015 ontvangen melding van de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU), in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT), dat appellant op 28 oktober 2014 in het [bedrijf] in totaal voor € 33.000,- aan creditcardopnames heeft gedaan bij verschillende kassa’s, heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Den Haag (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer appellant tijdens een gesprek op 3 september 2015 geconfronteerd met de van de FIU ontvangen informatie. Appellant heeft tijdens het gesprek verklaard dat het bedrag van € 33.000,- niet juist is, dat hij in zijn beleving op 28 oktober 2014 in het [bedrijf] een bedrag van € 10.000,- of € 11.000,- heeft opgenomen met een creditcard van een kennis, [naam] ( [X] ), en dat hij dat bedrag, minus een bedrag van

€ 200,- à € 300,-, waarmee hij had gegokt, aan [X] heeft overhandigd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 8 september 2015.


1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 9 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 februari 2016 (bestreden besluit), de bijstand van appellant met ingang van 28 oktober 2014 in te trekken en de over de periode van 28 oktober 2014 tot en met 31 augustus 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 8.439,58 van appellant terug te vorderen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het college geen melding te maken van de transacties in het [bedrijf] en dat daardoor niet kan worden vastgesteld of hij gedurende de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden heeft verkeerd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 28 oktober 2014, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 9 september 2015, de datum van het intrekkingsbesluit.


4.2.

Ter zitting heeft het college zich nader op het standpunt gesteld dat het op grond van de gedingstukken weliswaar aannemelijk is dat appellant op 28 oktober 2014 een geldbedrag van € 10.200,- heeft opgenomen bij het [bedrijf] , maar dat in het bestreden besluit niet toereikend is gemotiveerd dat appellant een hoger geldbedrag, dan wel een geldbedrag van in totaal € 33.000,- heeft opgenomen. Appellant heeft derhalve terecht aangevoerd dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Aanleiding bestaat dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, omdat aannemelijk is dat appellant hierdoor niet is benadeeld. Daartoe wordt het volgende overwogen.


4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op 28 oktober 2014 met een creditcard een bedrag van € 10.200,- heeft opgenomen bij het [bedrijf] . Appellant heeft aangevoerd dat hij niet over dat bedrag kon beschikken, omdat het niet van hem was, maar van [X] , en dat hij het geld, minus een klein bedrag waarmee hij heeft gegokt, korte tijd nadat hij het had opgenomen, aan [X] heeft gegeven. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst appellant naar een door hem in de bezwaarfase overgelegde ongedateerde verklaring van [X] , waarin [X] heeft verklaard dat het opgenomen bedrag nimmer aan appellant heeft toebehoord.


4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Indien een betrokkene in het bezit is van een bedrag aan contanten is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat dit bedrag een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellant is daarin niet geslaagd, nu hij met betrekking tot de contante overdracht van een bedrag van € 10.000,- aan [X] geen verifieerbare gegevens heeft overgelegd. De enkele verklaring van [X] is daartoe onvoldoende, nu die verklaring achteraf is opgesteld en niet wordt ondersteund door enig objectief en verifieerbaar gegeven.


4.5.

De beroepsgrond dat appellant de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat uitsluitend sprake is geweest van een vriendendienst voor [X] waaruit appellant geen inkomsten of financieel voordeel heeft genoten, slaagt niet. Vaststaat dat appellant bij het college geen melding heeft gemaakt van het bedrag van € 10.200,- dat hij op 28 oktober 2014 in handen heeft gekregen. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat dit voor de verlening van de bijstand van belang kon zijn. Daar komt bij dat appellant heeft erkend dat aan hem een bedrag van € 200,- ter beschikking is gesteld waarmee hij heeft gegokt.


4.6.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.


4.7.

Appellant heeft aangevoerd dat hij, kort nadat hij het geldbedrag van € 10.200,- met de creditcard van [X] had opgenomen, een bedrag van € 10.000,- aan [X] heeft overhandigd, dat hij dus niet over dit bedrag heeft beschikt en dat het recht op bijstand daarom wel kan worden vastgesteld.


4.8.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals onder 4.4 is overwogen, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij, naar hij met verwijzing naar een verklaring van [X] heeft gesteld, een bedrag van € 10.000,- heeft gegeven aan [X] . Door het schenden van de inlichtingenverplichting en het nalaten de geldstroom na de opname inzichtelijk te houden heeft appellant zelf het risico genomen dat hij achteraf niet meer zou beschikken over bewijsstukken om de overdracht van het bedrag van € 10.000,- aan [X] aannemelijk te maken. De gevolgen daarvan dienen voor rekening van appellant te blijven. Bij gebreke aan concrete en verifieerbare gegevens over de besteding van het bedrag van € 10.000,- kan het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet worden vastgesteld.


4.9.

Uit wat in 4.2 tot en met 4.8 is overwogen, volgt dat het college gehouden was om op grond van artikel 54, derde lid, van de PW de bijstand van appellant met ingang van

28 oktober 2014 in te trekken. Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft.


4.10.

Uit 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, gelet op 4.2 met verbetering van gronden.


5. Gelet op 4.10 bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
























BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.004,-;
  • - bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en W.H. Bel en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2018.




(getekend) M. Hillen




(getekend) L.H.J. van Haarlem






IvR