Centrale Raad van Beroep, 31-05-2018 / 16/490 AW


ECLI:NL:CRVB:2018:1592

Inhoudsindicatie
Appellant heeft vanwege de aard van de materie een zekere mate van vrijheid in de totstandbrenging van nieuwe besluitvorming. Het was dan ook aan appellant om het geconstateerde gebrek - het verboden onderscheid naar leeftijd - op een rechtens houdbare wijze te herstellen (vergelijk ook de uitspraken van de Raad van 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2617, en 22 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:528). Nieuwe beslissingen op bezwaar. De Raad zal verder met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb bepalen dat - onverhoopte - beroepen tegen de nieuwe beslissingen op bezwaar slechts bij hem kunnen worden ingesteld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-05-31
Publicatiedatum
2018-06-04
Zaaknummer
16/490 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

16/490 AW e.v. (zie bijlage)

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 mei 2016, 15/4145, de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 april 2016, 15/1766, de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 21 april 2016, 15/576, 15/923, 15/998 en 15/7155, de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 januari 2016, 15/347, de uitspraken van de rechtbank Limburg van 19 februari 2016, 15/539, 15/797, 15/909 en 15/1488, de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 april 2016, 15/696, de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 juni 2016, 15/3627, en de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 februari 2016, 15/1595 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

de Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (appellant)

[Betrokkene 1] te [woonplaats 1] en dertien anderen, zoals vermeld op de bij deze uitspraak behorende lijst (betrokkenen)

Datum uitspraak: 31 mei 2018

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroepen ingesteld.

Betrokkenen ( [Betrokkene 10] en [Betrokkene 9] uitgezonderd) hebben verweerschriften ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN


1. Betrokkenen waren als [naam functie] werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Aan hen is met ingang van verschillende data overtolligheidsontslag verleend met toepassing

van artikel 116, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie en het Sociaal Beleidskader Defensie 2004. Bij besluiten van verschillende data (toekenningsbesluiten)

heeft appellant aan betrokkenen aansluitend aan hun ontslag wachtgeld op grond van het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie toegekend tot de eerste dag van de maand volgende op die waarin zij de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. Bij besluiten van verschillende data (bestreden besluiten) heeft appellant de toekenningsbesluiten gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraken hebben de rechtbanken de beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd wegens verboden onderscheid op grond van leeftijd en zelf in de zaken voorzien door de toekenningsbesluiten te herroepen voor zover het de einddatum van de wachtgelduitkering betreft en te bepalen dat het wachtgeld van betrokkenen wordt beëindigd met ingang van de datum waarop betrokkenen de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) bereiken.


3. Appellant heeft zich, voor zover thans nog van belang, op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant betwist niet langer dat beëindiging van het wachtgeld bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd zonder enige vervangende voorziening voor betrokkenen een verboden onderscheid naar leeftijd oplevert als bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid. Volgens appellant hebben de rechtbanken echter ten onrechte zelf in de zaken voorzien door de toekenningsbesluiten te herroepen voor zover het de einddatum van de wachtgelduitkering betreft en te bepalen dat het wachtgeld van betrokkenen wordt beëindigd met ingang van de datum waarop betrokkenen de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW bereiken.


4.2.

De beroepsgrond van appellant dat de rechtbanken ten onrechte zelf in de zaken hebben voorzien door de toekenningsbesluiten te herroepen voor zover het de einddatum van de wachtgelduitkeringen betreft en te bepalen dat het wachtgeld van betrokkenen wordt beëindigd met ingang van de datum waarop betrokkenen de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW bereiken, slaagt. Appellant heeft vanwege de aard van de materie een zekere mate van vrijheid in de totstandbrenging van nieuwe besluitvorming. Het was dan ook aan appellant om het geconstateerde gebrek - het verboden onderscheid naar leeftijd - op een rechtens houdbare wijze te herstellen (vergelijk ook de uitspraken van de Raad van 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2617, en 22 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:528).


4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraken moeten worden vernietigd voor zover de rechtbanken zelf in de zaken hebben voorzien door de toekenningsbesluiten te herroepen voor zover het de einddatum van de wachtgelduitkeringen betreft en te bepalen dat het wachtgeld van betrokkenen wordt beëindigd met ingang van de datum waarop betrokkenen

de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW bereiken. Appellant dient nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen. De Raad zal verder met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb bepalen dat - onverhoopte - beroepen tegen de nieuwe beslissingen op bezwaar slechts bij hem kunnen worden ingesteld.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraken voor zover de rechtbanken zelf in de zaken hebben voorzien door de toekenningsbesluiten te herroepen voor zover het de einddatum van de wachtgelduitkeringen betreft en te bepalen dat het wachtgeld van betrokkenen wordt beëindigd met ingang van de datum waarop betrokkenen de pensioengerechtigde leeftijd

als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW bereiken;

- draagt appellant op nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen en bepaalt dat beroepen tegen deze besluiten slechts bij de Raad kunnen worden ingesteld.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2018.




(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) P.W.J. Hospel






RH


Lijst van betrokkenen:



Betrokkenen, woonplaats procedurenummers


[Betrokkene 1] te [woonplaats 1] 16/490 AW

[Betrokkene 2] te [woonplaats 2] 16/1858 AW

[Betrokkene 3] te [woonplaats 3] 16/2032 AW

[Betrokkene 4] te [woonplaats 4] 16/2054 AW

[Betrokkene 5] te [woonplaats 5] 16/2058 AW

[Betrokkene 6] te [woonplaats 6] 16/2059 AW

[Betrokkene 7] te [woonplaats 7] 16/3279 AW

[Betrokkene 8] te [woonplaats 8] 16/3586 AW

[Betrokkene 9] te [woonplaats 9] 16/3689 AW

[Betrokkene 10] te [woonplaats 10] 16/3694 AW

[Betrokkene 11] te [woonplaats 11] 16/3700 AW

[Betrokkene 12] te [woonplaats 12] 16/3701 AW

[Betrokkene 13] te [woonplaats 13] 16/4355 AW

[Betrokkene 14] te [woonplaats 14] 16/4650 AW