Centrale Raad van Beroep, 31-05-2018 / 15/5277 WIA


ECLI:NL:CRVB:2018:1593

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Het deskundigenrapport van Greveling-Fockens geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek, alle beschikbare gegevens van de behandelaars van appellant zijn bij de beoordeling betrokken. De conclusie dat de belastbaarheid op juiste wijze is vastgesteld is inzichtelijk en consistent. Om die reden wordt doorslaggevende betekenis toegekend aan het rapport en de daarin vermeldde conclusies van de deskundige.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-05-31
Publicatiedatum
2018-06-01
Zaaknummer
15/5277 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

155277 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 juni 2015, 14/3381 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[Appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



Datum uitspraak: 31 mei 2018


PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. L.W.M. Caudri, advocaat, hoger beroep ingesteld en een advies van verzekeringsarts J.T.J.A. Klijn van 4 oktober 2015 aan de Raad gezonden.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


De Raad heeft een verzekeringsarts als deskundige benoemd teneinde van verslag en advies te dienen. Op 12 september 2017 heeft L. Greveling-Fockens een rapport uitgebracht.


Partijen hebben gereageerd op dit rapport van de deskundige. Appellant heeft een reactie van verzekeringsarts Klijn op het rapport aan de Raad gezonden. Desgevraagd heeft de deskundige daarop gereageerd.


Met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten. De Raad heeft het onderzoek daarom gesloten.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is op 14 juni 2012 uitgevallen voor zijn werk als plaat/metaalbewerker met voetklachten als gevolg van botbreuken veroorzaakt door een bedrijfsongeval. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv medisch en arbeidskundig onderzoek laten verrichten.

De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant beperkingen als gevolg van zijn voetklachten heeft. Deze zijn verwoord in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

10 april 2014. Met inachtneming hiervan heeft de arbeidsdeskundige functies kunnen duiden en het verlies aan verdienvermogen vastgesteld op 22,04%.


1.2.

Bij besluit van 8 mei 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 12 juni 2014 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan.


1.3.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 mei 2014 is, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 augustus 2014 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 11 september 2014, bij besluit van

29 september 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Tijdens de beroepsprocedure heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 8 mei 2015 de FML gewijzigd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de wijzigingen in de belastbaarheid geen aanleiding geven om af te wijken van de beoordeling. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies kunnen gehandhaafd blijven. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust en dat appellant in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te vervullen. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Omdat pas in beroep de volledige onderbouwing van het bestreden besluit is gegeven heeft de rechtbank bepaald dat het Uwv de proceskosten en het griffierrecht dient te vergoeden.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv bij de beoordeling geen recht heeft gedaan aan zijn beperkingen. Appellant heeft er op gewezen dat hij zeer forse pijnklachten heeft aan zijn voet en onderbeen. Hierdoor kan hij zijn been en voet nauwelijks functioneel bewegen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant een advies van verzekeringsarts mr. J.T.J.A. Klijn van 4 oktober 2015 aan de Raad gezonden.


3.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Om meer inzicht te verkrijgen in de beperkingen van appellant heeft de Raad een verzekeringsarts als deskundige benoemd teneinde de Raad van verslag en advies te dienen. In haar rapport van 12 september 2017 heeft verzekeringsarts Greveling-Fockens de in het dossier aanwezige gegevens en het onderzoek dat zij heeft verricht, besproken. Vervolgens heeft zij haar conclusies verwoord en de vragen van de Raad beantwoord. Greveling-Fockens is in haar rapport tot de conclusie gekomen dat in de FML van 8 mei 2015 in voldoende mate rekening is gehouden met de geobjectiveerde beperkingen van appellant.


4.2.

In reactie op het rapport van de deskundige heeft appellant een brief van verzekeringsarts mr. J.T.J.A. Klijn van 24 oktober 2017 aan de Raad gestuurd waarin Klijn vraagtekens heeft geplaatst bij het onderzoek en de conclusie in het rapport van de door de Raad geraadpleegde verzekeringsarts Greveling-Fockens.


4.3.

Desgevraagd heeft Greveling-Fockens gereageerd op het commentaar van Klijn. Zij heeft in haar reactie van 12 februari 2018 haar onderzoeksbevindingen toegelicht en te kennen gegeven dat er geen medische noodzaak is voor de conclusie dat appellant zijn voet in het geheel niet kan belasten.


4.4.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Het deskundigenrapport van Greveling-Fockens geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek, alle beschikbare gegevens van de behandelaars van appellant zijn bij de beoordeling betrokken. De conclusie dat de belastbaarheid op juiste wijze is vastgesteld is inzichtelijk en consistent. Om die reden wordt doorslaggevende betekenis toegekend aan het rapport en de daarin vermeldde conclusies van de deskundige.


4.5.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, voor zover aangevochten.


5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.










BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2018.



(getekend) E.E.V. Lenos




(getekend) M.D.F. de Moor




TM