Centrale Raad van Beroep, 29-05-2018 / 16/7919 PW


ECLI:NL:CRVB:2018:1608

Inhoudsindicatie
Niet melden dat appellant geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Schending inlichtingenverplichting gelet op plicht om ook buiten het daarvoor bestemde formulier relevante feiten door te geven.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-05-29
Publicatiedatum
2018-06-12
Zaaknummer
16/7919 PW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

167919 PW


Datum uitspraak: 29 mei 2018


Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland

van 30 november 2016, 16/1785 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[Appellant] te [woonplaats] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. F.M. Meis, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Meis. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J. Roerig.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 2 oktober 2012 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande. Sinds 13 februari 2014 stond appellant in de basisregistratie personen ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).


1.2.

Naar aanleiding van de inschrijving op het uitkeringsadres heeft een medewerker

van Team inkomen van de gemeente Groningen appellant bij brieven van 6 maart 2014

en 20 maart 2014 verzocht een zogeheten inlichtingenformulier woononderzoek (inlichtingenformulier) in te vullen. Appellant heeft dit formulier op 24 maart 2014

ingevuld en ondertekend ingeleverd. Naar aanleiding hiervan heeft het college bij brief van

25 maart 2014 appellant laten weten dat het recht op bijstand ongewijzigd wordt voortgezet.


1.3.

Op 20 mei 2015 heeft een fraudecontroleur binnen het team Handhaving, afdeling Werk en Inkomen van Sociale Zaken van de gemeente Groningen (fraudecontroleur) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. Hierbij heeft de fraudecontroleur gegevens uit Suwinet geraadpleegd en dossieronderzoek verricht. Daaruit kwam naar voren dat appellant staat ingeschreven op het uitkeringsadres met drie medebewoners in een pand met drie kamers. Op 11 juni 2015 heeft de fraudecontroleur samen met een collega een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. De hoofdbewoner heeft de fraudecontroleurs binnengelaten en verklaard dat appellant het uitkeringsadres altijd heeft gebruikt als postadres en dat appellant nooit voor meerdere dagen op het uitkeringsadres heeft verbleven. Op

12 juni 2015 heeft de fraudecontroleur een gesprek gehad met appellant over zijn woon- en leefsituatie. Tijdens dat gesprek heeft appellant onder meer verklaard dat hij overal en nergens woont, dat hij bij vrienden slaapt of eens in de twee of drie weken bij zijn ouders in [plaatsnaam]. Sinds twee jaar staat hij ingeschreven op het uitkeringsadres. Zijn kleding heeft nooit op het uitkeringsadres gelegen en hij slaapt daar zelden. Als hij in [woonplaats] is slaapt appellant

naar eigen zeggen bij een vriend, waar hij soms vier of vijf nachten blijft. De afgelopen

twee jaar heeft appellant om en om in [plaatsnaam] en [woonplaats] gewoond, maar niet op het uitkeringsadres. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapport van 23 juni 2015.


1.4.

De onderzoeksresultaten waren voor het college aanleiding om bij besluit van 6 juli 2015 (besluit 1) de bijstand van appellant met ingang van 13 februari 2014 in te trekken en de over de periode van 13 februari 2014 tot en met 30 juni 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 15.996,73 van appellant terug te vorderen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over zijn woon- en leefsituatie vanaf 13 februari 2014, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.


1.5.

Bij besluit van 20 augustus 2015 (besluit 2) heeft het college aan appellant een boete van € 6.990,- opgelegd.


1.6.

Bij besluit van 11 maart 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen besluit 2 heeft het college gedeeltelijk gegrond verklaard en de hoogte van de boete vastgesteld op € 580,-.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen gekeerd, voor zover het betreft de intrekking en de terugvordering.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 13 februari 2014 (ingangsdatum intrekking) tot en met 6 juli 2015 (datum intrekkingsbesluit).


4.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.


4.3.

Niet in geschil is dat appellant in de te beoordelen periode niet zijn feitelijke woonadres heeft gehad op het uitkeringsadres. Uit het inlichtingenformulier van 24 maart 2014 blijkt

dat appellant over zijn woonsituatie heeft opgegeven dat hij woont op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats]. Appellant heeft hierbij echter niet aan het college gemeld dat hij feitelijk geen vaste woon- of verblijfplaats had en dat hij het uitkeringsadres heeft gebruikt als postadres. Hieruit volgt dat appellant geen juiste informatie heeft verstrekt over zijn feitelijk woonadres. Daarmee is gegeven dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW heeft geschonden.


4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat hem niet kan worden verweten dat hij onjuiste gegevens over zijn woonadres heeft verstrekt. Hij verkeerde in de veronderstelling dat hij het inlichtingenformulier juist had ingevuld, te meer omdat daarin niet de mogelijkheid was geboden te vermelden dat het opgegeven adres wordt gebruikt als postadres. Pas bij het ontvangen van besluit 1 was het voor appellant duidelijk dat hij het inlichtingenformulier niet juist had ingevuld.


4.5.

Deze grond slaagt niet. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Deze inlichtingenverplichting is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij de vraag naar verwijtbaarheid geen rol speelt. Uitsluitend moet worden beoordeeld of appellant de hier aan de orde zijnde gegevens had moeten overleggen en dit heeft nagelaten. Dit is niet anders wanneer het college voor het voldoen aan de inlichtingenverplichting gebruikmaakt van een formulier. Daarbij kunnen

zich feiten of omstandigheden voordoen waar in dit formulier niet uitdrukkelijk naar wordt gevraagd, maar die wel van belang kunnen zijn voor de verlening van bijstand. Op grond

van artikel 17, eerste lid, van de PW moet de belanghebbende deze dan uit eigen beweging melden. Ten slotte mist deze door appellant aangevoerde grond bovendien feitelijke grondslag, in die zin dat op het inlichtingenformulier onder onderdeel 4 kan worden aangekruist dat de belanghebbende geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Dit heeft appellant niet gedaan.


4.6.

Appellant heeft verder aangevoerd dat consequenties hadden moeten worden

verbonden aan het feit dat het college na ontvangst van het ingevulde en ondertekende inlichtingenformulier bijzonder lang heeft gewacht met het instellen van een onderzoek. Voor zover appellant hiermee heeft willen betogen dat dit lange wachten gevolgen zou moeten hebben voor de intrekking of de terugvordering, slaagt dit betoog niet. Eerst in juni 2015 is uit het rechtmatigheidsonderzoek immers gebleken dat appellant niet woonachtig was op het door hem opgegeven adres, terwijl appellant gedurende de gehele te beoordelen periode de op hem rustende inlichtingenverplichting - waarbij de vraag naar verwijtbaarheid geen rol speelt - heeft geschonden.


4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en M. Hillen en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2018.




(getekend) G.M.G. Hink




(getekend) J. Tuit






LO