Centrale Raad van Beroep, 06-06-2018 / 16/5236 ZW


ECLI:NL:CRVB:2018:1644

Inhoudsindicatie
Nu niet in geschil is dat betrokkene per 5 oktober 2015 niet geschikt was voor zijn eigen werk, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat dit voor deze zaak betekent dat de uitlooptermijn eindigt op 7 februari 2016, een maand en een dag na het besluit van 6 januari 2016. De Raad deelt dus geheel het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit rust.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-06-06
Publicatiedatum
2018-06-07
Zaaknummer
16/5236 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

165236 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

19 juli 2016, 16/773 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)


[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)



Datum uitspraak: 6 juni 2018


PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Namens betrokkene heeft mr. S.N. Ketting een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer. Betrokkene en zijn gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen.



OVERWEGINGEN


1.1.

Betrokkene is laatstelijk werkzaam geweest als magazijnmedewerker voor 36 uur per week. Zijn dienstverband is op 5 oktober 2015 geëindigd. Tot die datum heeft de werkgever het loon van betrokkene doorbetaald. Op 5 oktober 2015 heeft de werkgever betrokkene ziek uit dienst gemeld bij appellant, waarbij de datum 19 juni 2014 is vermeld als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Bij besluit van 14 december 2015 heeft het Uwv betrokkene met ingang van 5 oktober 2015 voorschotten op grond van de Ziektewet (ZW) verstrekt.


1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts betrokkene op 4 december 2015 gezien. Deze arts heeft betrokkene belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige heeft daarna volgens een rapport van 18 december 2015 vastgesteld dat betrokkene niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat betrokkene nog 79,99% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 6 januari 2016 vastgesteld dat betrokkene met ingang van 6 oktober 2015 geen recht heeft op ziekengeld op grond van de ZW, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. De rapporten van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zijn als bijlage bij dit besluit gevoegd. Het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 9 februari 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.


2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de aangevallen uitspraak. Zij heeft overwogen dat geen reden is om te twijfelen aan de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid en het aannemelijk geacht dat betrokkene de geselecteerde functies kan verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant echter ten onrechte niet de uitlooptermijn van een maand als bedoeld in artikel 19aa, tweede lid, van de ZW, in acht genomen. De rechtbank heeft gewezen op wat in de Memorie van Toelichting (MvT) behorende bij de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (Wet BeZaVa) over dit artikellid staat vermeld, dat het recht op ziekengeld niet ogenblikkelijk eindigt maar, wegens zorgvuldigheidsredenen, pas na een uitlooptermijn van een maand, wanneer de verzekerde na arbeidskundig of verzekeringsgeneeskundig onderzoek minder dan 35% arbeidsongeschikt blijkt te zijn. Zij heeft het standpunt van appellant dat naar analogie met de Wet WIA sprake is van een toekenningssituatie die een uitlooptermijn overbodig maakt, niet gevolgd. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op artikel 29 eerste lid, onder a, van de ZW. De rechtbank heeft verder overwogen het onjuist te achten om de gevolgen van de omstandigheid dat de EZWb pas in december 2015 is afgerond voor rekening van betrokkene te brengen. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant een ZW‑uitkering aan betrokkene moet verstrekken tot 7 februari 2016, een maand en een dag na het primaire besluit van 6 januari 2016 en daartoe een nieuw besluit op bezwaar moet nemen.


3.1.

Appellant heeft zijn hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak beperkt tot het oordeel van de rechtbank over de uitlooptermijn. Appellant is van mening dat de MvT behorende bij de Wet BeZaVa zo gelezen moet worden dat artikel 19aa, tweede lid, van de ZW alleen van toepassing is als sprake is van een beëindiging van een ZW-uitkering en daar is in het geval van betrokkene geen sprake van. Appellant heeft aangevoerd dat voor dit standpunt steun kan worden gevonden in de zogeheten aanzegjurisprudentie, waarbij geldt dat een uitlooptermijn pas in acht hoeft te worden genomen bij een herziening of intrekking van een lopende uitkering. Appellant is van mening dat niet van belang is dat voorafgaande aan de aanspraak op ziekengeld sprake is van een recht op loondoorbetaling, omdat ook voorafgaande aan een aanspraak op een WIA‑uitkering sprake kan zijn van een recht op loondoorbetaling. Appellant heeft er op gewezen dat het volgens vaste jurisprudentie van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2014:4270) is toegestaan per een datum in het verleden vast te stellen dat geen recht bestaat op ziekengeld.


3.2.

Betrokkene heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, waarbij ook hij zich heeft beroepen op de MvT bij artikel 19aa van de ZW.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

Op grond van artikel 19 van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als gevolg van ziekte recht op ziekengeld.


4.1.2.

In afwijking van artikel 19 van de ZW heeft een verzekerde die geen werkgever heeft jegens wie hij bij ongeschiktheid tot werken wegens ziekte recht heeft op loon, op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen.


4.1.3.

Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.


4.1.4.

Op grond van artikel 19aa, tweede lid, van de ZW, heeft de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, recht op ziekengeld tot een maand na de dag waarop hij in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen. Dit wordt ook wel de uitlooptermijn genoemd.

4.1.5.

Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en sub a van de ZW wordt geen ziekengeld uitgekeerd indien de verzekerde recht heeft op loon, als bedoeld in artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW).


4.2.

Niet in geschil is dat betrokkene met ingang van 19 juni 2014 als gevolg van ziekte ongeschikt was voor zijn werk en dat hij recht had op loon tot 5 oktober 2014. Evenmin is in geschil dat betrokkene bij de EZWb-beoordeling in december 2015 al meer dan 52 weken wegens ziekte arbeidsongeschikt was voor zijn arbeid.


4.3.

Vastgesteld wordt dat betrokkene op grond van artikel 19 van de ZW vanaf het moment dat hij ongeschikt was om zijn eigen arbeid uit te oefenen recht had op ziekengeld, maar dat dit op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de ZW niet werd uitgekeerd, omdat hij recht had op loon.


4.4.

De vraag is aan de orde of ook een uitlooptermijn moet worden gehanteerd bij een verzekerde die na meer dan 52 weken ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als gevolg van ziekte, ziek uit dienst treedt en bij wie het Uwv vervolgens vaststelt, zoals in dit geval, dat betrokkene op datum uitdiensttreding meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.


4.4.1.

Uit de tekst van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW blijkt dat deze bepaling uitsluitend ziet op een verzekerde zonder werkgever, zodat deze bepaling bij de beoordeling van betrokkenes aanspraken op grond van de ZW per 5 oktober 2015 van toepassing is. Voor die beoordeling is op grond van artikel 19ab een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vereist ter bepaling of hij in staat is met passend werk meer dan 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen. Als op grond van de beide onderzoeken wordt vastgesteld, zoals in dit geval, dat betrokkene meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen, bepaalt het tweede lid van artikel 19aa van de ZW dat een uitlooptermijn van een maand geldt.


4.4.2.

Uit de MvT behorende bij de Wet BeZaVa (zie Kamerstukken II 2011/12, 33241, 3, p. 43) blijkt dat de wetgever zich rekenschap heeft gegeven van de situatie als deze. Vermeld is dat het aangescherpte criterium (65% of meer verdienen van het maatmaninkomen per uur) ook zal gelden voor de vangnetters van wie het dienstverband tijdens ziekte eindigt, zodra deze geen werkgever meer heeft.


4.4.3.

Uit de MvT (eveneens pagina 43) blijkt verder dat de uitlooptermijn van een maand van het tweede lid van artikel 19aa van de ZW wegens zorgvuldigheidsredenen in de wet is opgenomen. Door deze uitlooptermijn wordt de verzekerde niet ogenblikkelijk met de beëindiging van zijn recht op ziekengeld geconfronteerd, maar wordt hem enige tijd gegund om zich voor te bereiden op de verandering in zijn situatie. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (ECLI:NL:CRVB:2017:4202) heeft de wetgever bij het tweede lid van artikel 19aa van de ZW een duidelijke keuze gemaakt voor de termijn van een maand die een verzekerde wordt gegund om zich in te stellen op een andere situatie en zich te oriënteren op het verrichten van andere arbeid (zie Kamerstukken II 2011/12, 33241, 3, pagina 14).


4.5.

Gelet op het samenstel van de wettelijke bepalingen en wat in de MvT is vermeld wordt geen reden gezien om in een situatie als hier aan de orde de door de wetgever vereiste zorgvuldigheid bij de beëindiging van het recht op ziekengeld niet in acht te nemen. Ook in die gevallen dient de verzekerde die ermee wordt geconfronteerd dat hij, hoewel ongeschikt voor zijn eigen werk, wel geschikt wordt geacht voor andere functies, zich op de nieuw ontstane situatie in te stellen, wat onder meer betekent een andere oriëntatie op de arbeidsmarkt dan daarvoor. Dat geen sprake is van een lopende uitkering, doet daar niet aan af. Daar is immers alleen geen sprake van, omdat het recht op uitkering niet is geëffectueerd door het recht op loon.


4.6.

Het beroep van het Uwv op de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:4270 slaagt evenmin. In die zaak is sprake van een andere situatie, omdat daarin, anders dan in het geval van betrokkene, per datum ziekmelding geen sprake was van ongeschiktheid voor het eigen werk.


4.7.

Nu niet in geschil is dat betrokkene per 5 oktober 2015 niet geschikt was voor zijn eigen werk, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat dit voor deze zaak betekent dat de uitlooptermijn eindigt op 7 februari 2016, een maand en een dag na het besluit van 6 januari 2016. De Raad deelt dus geheel het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit rust.


5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.8 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.


6. Omdat het hoger beroep van appellant niet slaagt, is niet voldaan aan de voorwaarde die betrokkene aan zijn incidenteel beroep had verbonden. De door hem geformuleerde beroepsgronden in het incidenteel hoger beroep behoeven daarom geen bespreking.


7. Er is aanleiding appellant te veroordelen in de kosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 501,- aan kosten van rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een verweerschrift).




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 501,-;
  • - bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 503,- wordt geheven.


Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E.W. Akkerman en A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2018.




(getekend) J.S. van der Kolk




De griffier is verhinderd te ondertekenen.




GdJ