Centrale Raad van Beroep, 05-06-2018 / 16/5808 PW


ECLI:NL:CRVB:2018:1655

Inhoudsindicatie
Schending medewerkingsverplichting in verband met niet overleggen CIN-nummer. Herhaling van de gronden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-06-05
Publicatiedatum
2018-06-12
Zaaknummer
16/5808 PW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

165808 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juli 2016, 16/3035 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)



Datum uitspraak: 5 juni 2018


PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.I. L’Ghdas, advocaat, hoger beroep ingesteld.


De Svb heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft tezamen met de zaken 16/4165 PW, 16/5806 PW, 16/5807 PW en 16/5810 PW plaatsgevonden op 24 april 2018. Namens appellant is verschenen

mr. L’Ghdas. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Stahl-de Bruin.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 18 juli 2012 bijstand van de Svb, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling).


1.2.

De Svb voert in de periode 2013 tot en met 2019 een onderzoek uit naar de rechtmatigheid van de AIO-aanvulling van alle AIO-gerechtigden. Hiertoe wordt jaarlijks

aan een deel van de AIO-gerechtigden het formulier “Verblijf en vermogen buiten Nederland” (formulier) toegestuurd. De controle was in 2013 gericht op in Suriname en Bosnië geboren AIO-gerechtigden. In 2014 betrof de controle onder meer de ruim 6.000 AIO-gerechtigden met als geboorteland Marokko, tot welke groep appellant behoort. In 2015 was de controle gericht op AIO-gerechtigden die in Turkije zijn geboren en van 2016 tot en met 2019 is de controle gericht op de overige in het buitenland geboren AIO-gerechtigden. De Svb heeft steeds na het toesturen van het formulier nader onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid

van de verleende AIO-aanvulling (vervolgonderzoek) van AIO-gerechtigden die het formulier niet hadden teruggestuurd, alsmede van AIO-gerechtigden die het formulier wel hadden teruggestuurd en het formulier daartoe aanleiding gaf. Criteria voor vervolgonderzoek bij laatstgenoemde categorie AIO-gerechtigden waren onder meer een lang verblijf in het land van herkomst en het bestaan van dan wel onduidelijkheden over een opgegeven verblijfadres in het land van herkomst. Bij de tot de selectie behorende AIO-gerechtigden hebben handhavingsmedewerkers van de Svb huisbezoeken afgelegd. Aan de AIO-gerechtigden

die in Marokko zijn geboren is verzocht het nummer van hun Carte d’Identité Nationale (CIN-nummer) te overleggen opdat de Svb nader onderzoek kan doen naar inkomsten en vermogen bij instanties in Marokko. Gelet op de capaciteit van de afdeling handhaving van

de Svb is op volgorde van binnenkomst van de formulieren een huisbezoek afgelegd, en is het onderzoek gestopt na 413 huisbezoeken.


1.3.

In het kader van het onder 1.2 vermelde rechtmatigheidsonderzoek heeft de Svb

medio 2014 appellant het formulier “Verblijf en vermogen buiten Nederland” toegezonden

en aan hem verzocht het formulier in te vullen en aan de Svb terug te sturen. Appellant heeft hieraan voldaan en op het formulier ingevuld dat hij een periode in 2014 in [gemeente 1] in Marokko heeft verbleven. Bij brief van 19 juni 2014 heeft appellant aanvullend medegedeeld dat dit

het adres van zijn ouders was, dat zijn ouders inmiddels zijn overleden en dat hij tijdelijk bij [naam] , in [gemeente 2] , [provincie] , in Marokko verblijft als hij in Marokko is.

1.4.

Bij brief van 5 december 2015 (lees: 2014) heeft de Svb appellant meegedeeld dat voor de vaststelling van het recht op AIO-aanvulling de Svb extra onderzoek zal doen bij instanties in Marokko en dat daarvoor het CIN-nummer van appellant nodig is. Appellant is daarbij verzocht zijn CIN-nummer vóór 9 februari 2015 door te geven. Appellant heeft de bij de brief behorende antwoordstrook geretourneerd en hierop vermeld: “excuus geen CIN Nr.”. Omdat appellant geen huisbezoek wenste, heeft op 12 januari 2015 ten kantore van de Svb een gesprek met appellant plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is appellant verzocht binnen

vier weken zijn CIN-nummer door te geven. Appellant heeft niet aan dit verzoek voldaan.


1.5.

Bij besluit van 11 maart 2015 heeft de Svb het recht op AIO-aanvulling van appellant

met ingang van 11 maart 2015 opgeschort. Hierbij heeft de Svb appellant in de gelegenheid gesteld zijn CIN-nummer alsnog vóór 25 maart 2015 door te geven. Appellant heeft hierop schriftelijk gereageerd met de mededeling dat hij bij het Marokkaanse consulaat geen

CIN-nummer kon krijgen omdat hij niet beschikt over een Marokkaans paspoort of identiteitskaart. Bij besluit van 21 mei 2015 heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW met ingang van 11 maart 2015 ingetrokken. Bij besluit van 13 oktober 2015 heeft de Svb het hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 21 mei 2015 herroepen, omdat de beslissing tot intrekking op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW buiten de hiervoor geldende termijn van acht weken na de opschorting was genomen en geen grondslag bestond voor intrekking op grond van artikel 54, derde lid, van de PW.


1.6.

Bij brief van 26 oktober 2015 heeft de Svb appellant opnieuw verzocht vóór

26 november 2015 zijn CIN-nummer door te geven. Appellant heeft hierop schriftelijk gereageerd met de mededeling dat hij niet over een Marokkaanse identiteitskaart beschikt.

Bij brief van 7 december 2015 heeft de Svb appellant in de gelegenheid gesteld voor

24 december 2015 zijn CIN-nummer alsnog door te geven. Hierop heeft appellant op

19 december 2015 schriftelijk gereageerd met de mededeling dat hij niet over een

CIN-nummer beschikt.


1.7.

Bij besluit van 12 januari 2016 heeft de Svb het recht op AIO-aanvulling van appellant met ingang van 25 december 2015 opgeschort, omdat appellant zijn CIN-nummer niet heeft gegeven. Hierbij heeft de Svb appellant in de gelegenheid gesteld zijn CIN-nummer alsnog vóór 26 januari 2016 door te geven. Appellant heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.


1.8.

Bij besluit van 15 februari 2016 heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellant

met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW met ingang van 25 december 2015 ingetrokken op de grond dat appellant niet binnen de gegeven hersteltermijn de gevraagde medewerking heeft verleend.


1.9.

Bij besluit van 31 maart 2016 (bestreden besluit) heeft de Svb de tegen de besluiten

van 12 januari 2016 en 15 februari 2016 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. De Svb heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant, door zijn CIN-nummer

niet te overleggen, niet heeft meegewerkt aan het onderzoek en daarmee de op hem rustende medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de PW heeft geschonden. De bevoegdheid tot intrekking van de AIO-aanvulling heeft de Svb gebaseerd op artikel 54, eerste en vierde lid, van de PW, waarbij appellant wordt verweten dat hij anderszins onvoldoende heeft meegewerkt als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de PW.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft, kort samengevat, aangevoerd dat geen aanleiding bestond voor het doen van nader onderzoek in Marokko, dat het onderzoek discriminatoir is, dat het in te stellen onderzoek

in Marokko in strijd is met de gestelde voorwaarden in artikel 30a van het Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 14 februari 1972 te Rabat ondertekende Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake sociale zekerheid, dat het CIN-nummer niet nodig is voor het doen van onderzoek naar onroerende zaken in Marokko, dat het verzoek om afgifte van het

CIN-nummer in strijd is met het recht op privacy als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en dat

het gebruik van het CIN-nummer door de Svb niet met waarborgen is omkleed.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In zijn uitspraken van 26 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:808, ECLI:NL:CRVB:2018:809 en ECLI:NL:CRVB:2018:810, heeft de Raad geoordeeld

dat de appellanten in die zaken, door hun CIN-nummers niet over te leggen, onvoldoende medewerking hebben verleend aan het onderzoek naar vermogen in Marokko en dat

de Svb bevoegd was om met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW het recht op AIO-aanvulling op te schorten en, na het verstrijken van de geboden hersteltermijn, met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW in te trekken.


4.2.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn identiek aan de beroepsgronden die betrokkenen in de onder 4.1 vermelde zaken hebben aangevoerd. In deze uitspraken is de Raad gemotiveerd op die beroepsgronden ingegaan. De Raad ziet in wat namens appellant ter zitting is aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen.


4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
















BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van

J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2018.




(getekend) J.T.H. Zimmerman




De griffier is verhinderd te ondertekenen.






LO