Centrale Raad van Beroep, 12-06-2018 / 16-7191 AOW-V


ECLI:NL:CRVB:2018:1719

Inhoudsindicatie
Verzet ongegrond. Er is geen grond voor het oordeel dat het op grond van artikel 8:109, eerste lid, aanhef en onder a, Awb geheven griffierecht van € 124,- appellant wezenlijk heeft belemmerd in zijn recht op toegang tot de rechter.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-06-12
Publicatiedatum
2018-06-13
Zaaknummer
16-7191 AOW-V
Procedure
Verzet
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2018/273
Uitspraak

Datum uitspraak: 12 juni 2018

16/7191 AOW-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 november 2016, 16/1035 (aangevallen uitspraak)







Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)


PROCESVERLOOP


Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 12 mei 2017 heeft de Raad het door de gemachtigde van appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.


De gemachtigde van appellant heeft verzet gedaan.


Het verzet is behandeld ter zitting van 1 mei 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Unsanmaz. De Svb is niet verschenen.



OVERWEGINGEN


De uitspraak van de Raad van 12 mei 2017 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 5 januari 2017 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.


In het verzetschrift heeft appellant te kennen gegeven dat hij kampt met gezondheidsproblemen en dat hij om die reden niet in staat was het griffierecht te betalen. Ook stelt appellant zich op het standpunt dat de toegang tot de rechter niet mag worden beperkt omdat hij het griffierecht niet heeft betaald. Naar de mening van appellant is sprake van schending van artikel 6 lid 1 EVRM in verbinding met artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


In verzet zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Uit de geschetste omstandigheden blijkt niet dat appellant de gehele betalingstermijn niet in staat was het griffierecht te betalen. De gezondheidsproblemen van appellant zijn niet met bewijsstukken onderbouwd. Waar het betreft de stellingname dat de hoogte van het griffierecht in het geval van appellant de toegang tot de rechter belemmert en dat dit strijd oplevert met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, slaagt dit betoog niet. Niet alleen heeft appellant op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat hij in onmacht verkeerde om het griffierecht tijdig te voldoen, ook heeft hij zich niet binnen de betalingstermijn op betalingsonmacht beroepen. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het op grond van artikel 8:109, eerste lid, aanhef en onder a, Awb geheven griffierecht van

€ 124,- appellant wezenlijk heeft belemmerd in zijn recht op toegang tot de rechter.


Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.


Het bedrag van het te laat betaalde griffierecht (€ 124,-) zal door de griffier van de Raad aan appellant worden terugbetaald.


Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - verklaart het verzet ongegrond;
  • - bepaalt dat het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,- door de griffier van de Centrale Raad van Beroep aan appellant wordt terugbetaald.


Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2018.




(getekend) H.C.P. Venema




(getekend) N.L. Kuipers






RH