Centrale Raad van Beroep, 24-05-2018 / 17-2258 AW


ECLI:NL:CRVB:2018:1782

Inhoudsindicatie
De Raad volgt appellante niet in het betoog dat het college onvoldoende heeft gedaan om haar binnen of buiten de gemeente passend dan wel aangepast werk aan te bieden. Van belang is hierbij dat het Uwv op 10 mei 2016 heeft vastgesteld dat het college voldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht. Niet aannemelijk is geworden dat ten tijde van het primaire besluit sprake was van een duidelijk zicht op herstel van appellante. Het oordeel van de rechtbank dat het college in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om appellante wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid te ontslaan, wordt onderschreven.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-05-24
Publicatiedatum
2018-06-20
Zaaknummer
17-2258 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

17/2258 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

24 februari 2017, 16/8585 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 24 mei 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.D. van Duijvenbode, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Een verzoek van appellante om aanhouding van de zaak in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep in de WIA-zaak, is toegewezen. Appellante heeft de uitspraak van de Raad van 5 april 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1000) in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Duijvenbode. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.M. Langemeijer.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante was vanaf 1 april 2001 werkzaam bij de gemeente Den Haag, het laatst, sinds 1 januari 2013, in de functie van [functie] voor 36 uur per week,

salarisschaal 6. Op 3 juni 2013 heeft appellante zich ziek gemeld met psychische klachten.


1.2.

Op verzoek van het college is onderzocht wat de arbeidsmogelijkheden van appellante zijn. Op 21 maart 2014 heeft de bedrijfsarts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Vervolgens heeft ArboNed een arbeidsdeskundig onderzoek ingesteld naar de

re-integratiemogelijkheden van appellante. De arbeidsdeskundige komt in haar rapport van

6 mei 2014 tot de conclusie dat het eigen werk van appellante gezien haar belastbaarheid niet passend is en evenmin passend te maken is. Zij acht appellante mogelijk geschikt voor ander werk in schaal 7 of schaal 6 bij de eigen werkgever, het zogenaamde eerste spoor, dan wel bij een externe werkgever. Er dient sprake te zijn van werk dat redelijk gestructureerd is of waar appellante zelf enigszins haar invulling aan kan geven, zonder een hoge werkdruk of strakke deadlines.


1.3.

Ten behoeve van een interne herplaatsing is een traject bij Bureau van Werk naar Werk opgestart. Bij brief van 16 juni 2014 is appellante aangewezen als re-integratiekandidaat. Met deze status heeft zij het recht om met voorrang te solliciteren en vacatures te claimen. Op

11 augustus 2014 is appellante begonnen met re-integreren. Vanaf 10 september 2014 is naast het eerste spoortraject outplacementbureau Oudstanding (Oudstanding) ingezet om appellante te begeleiden naar een passende werkplek buiten de gemeente, het zogenaamde tweede spoor.


1.4.

Naar aanleiding van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft een verzekeringsarts van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) appellante onderzocht en de belastbaarheid van appellante vastgelegd in een FML van 12 mei 2015. Daarin is vermeld

dat de functionele mogelijkheden vanaf 3 juni 2013 ongewijzigd zijn en dat er een medische indicatie is voor een vervoersvoorziening. Er is sprake van de volgende beperkingen: sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden, veelvuldige storingen en onderbrekingen, veelvuldige deadlines of productiepieken, hoog handelingstempo, verhoogd persoonlijke risico, omgaan met conflicten, samenwerken (kan met anderen werken, maar met eigen afgebakende taak), vervoer (is aangewezen op hulp van anderen), solistische functie, leidinggevende aspecten en zij is aangewezen op werk waarin meestal weinig of geen direct contact met patiënten/hulpbehoevenden is vereist. Nadat een arbeidsdeskundige van het Uwv had geconcludeerd dat appellante niet geschikt was voor haar eigen werk maar wel voor

een aantal andere functies, heeft het Uwv bij besluit van 28 mei 2015 aan appellante met ingang van 3 juni 2013 een WIA-uitkering toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid

is daarbij vastgesteld op 63,97%.


1.5.

In een eindrapport van 18 september 2015 heeft Oudstanding geconcludeerd dat het traject niet heeft geleid tot een passende baan omdat appellante veel ziek is geweest, maar wel heeft bijgedragen aan haar werkhervatting binnen de gemeente en een stuk zelfanalyse. Hierna heeft Bureau van Werk naar Werk de re-integratieactiviteiten in het tweede spoor, naast die in het eerste spoor, opgepakt. In het najaar van 2015 heeft appellante een assessment afgelegd. Op 19 januari 2016 is appellante op basis van een proefplaatsing gestart als administratief ondersteuner van consulenten bij de afdeling [afdeling] . Deze proefplaatsing is op 24 maart 2016 beëindigd.


1.6.

Op basis van beperkingen van appellante, vastgesteld door een verzekeringsgeneeskundige van het Uwv op 6 april 2016, is een arbeidskundige van

het Uwv in zijn rapport van 9 mei 2016 wederom tot de conclusie gekomen dat appellante ongeschikt is en blijft voor het eigen werk en dat zij geschikt is voor een aantal functies. De mate van arbeidsongeschiktheid is opnieuw beoordeeld en per 9 mei 2016 vastgesteld op 29,88%. Op 10 mei 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat het college voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Op diezelfde datum heeft het Uwv besloten dat appellante met ingang van 11 juli 2016 een WIA-uitkering wordt ontzegd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen die intrekking van de WIA-uitkering ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 augustus 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:8397) ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 5 april 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1000) de uitspraak van de rechtbank bevestigd, en geoordeeld dat de rechtbank op goede gronden het standpunt van het Uwv heeft gevolgd dat appellante op 11 juli 2016 niet geschikt is te achten voor de laatstelijk ten tijde van haar uitval op 3 juni 2013 uitgeoefende functie van [functie].


1.7.

Na een voornemen daartoe, waarop appellante heeft gereageerd, heeft het

college appellante bij besluit van 6 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit

van 29 september 2016 (bestreden besluit), op grond van artikel 8:5 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Den Haag (ARG) met ingang van 7 juni 2016

eervol ontslag verleend wegens langdurige gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van artikel 8:5, eerste lid, van de ARG, kan eervol ontslag aan de ambtenaar worden verleend op grond van gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken.

Op grond van het tweede lid mag ontslag als bedoeld in het eerste lid slechts plaatsvinden indien:

a. er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 36 maanden.

b. het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar

binnen de gemeentelijke dienst passende arbeid op te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.

Op grond van het artikel 8:5, derde lid, betrekt het college bij het beoordelen van

de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid het resultaat van de claimbeoordeling op grond van de Wet WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling.


4.2.

Appellante heeft ter zitting van de Raad, gelet op de onder 1.6 genoemde uitspraak van

de Raad van 5 april 2018, haar beroepsgronden aangaande de voorwaarde van artikel 8:5, tweede lid, aanhef en onder a, van de ARG laten vallen.


4.3.

In geschil is de vraag of het college heeft voldaan aan zijn verplichting tot het verrichten van een zorgvuldig herplaatsingsonderzoek.


4.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1579) moeten voorschriften over het herplaatsingsonderzoek nauwgezet worden nageleefd. Het onderzoek moet zorgvuldig worden uitgevoerd, waarbij elke reële mogelijkheid tot herplaatsing moet worden aangegrepen.


4.5.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat het college onvoldoende heeft gedaan om haar binnen of buiten de gemeente passend dan wel aangepast werk aan te bieden. De Raad volgt appellante niet in dit betoog. Na een periode van volledige afwezigheid wegens ziekte en nadat een aangeboden re-integratieplaats voor appellante te stressgevend bleek, is zij in augustus 2014 begonnen met re-integreren. Conform het advies van de arbeidsdeskundige

van ArboNed waren de werkzaamheden eenvoudig, zonder werkdruk of klantcontact, en was de re-integratie in eerste instantie gericht op het opbouwen van arbeidsritme en uren. Deze opbouwperiode heeft veel langer geduurd dan oorspronkelijk was voorzien door regelmatige kort en langer durende uitval van appellante eind 2014 en in 2015 vanwege diverse ziekteoorzaken. Door deze frequente uitval heeft het traject bij Oudstanding niet

tot passend werk in het tweede spoor geleid. Het college heeft zich daarna ingespannen

voor re-integratie in beide sporen. Toen deze inspanningen eind 2015 nog geen vruchten hadden afgeworpen, is begin 2016 getracht appellante door middel van een proefplaatsing naar loonvormend werk te begeleiden. Naast appellante startte een collega die de verantwoordelijkheid droeg voor de uitvoering van het werk, zodat appellante de mogelijkheid kreeg om de werkzaamheden op te pakken die pasten bij haar belastbaarheid. Deze proefplaatsing is, nadat appellante tweemaal wegens deels bij haar bekende ziekteoorzaken afwezig was en éénmaal wegens een calamiteit, na twee maanden beëindigd. Weliswaar is, zoals appellante heeft betoogd, denkbaar dat deze proefplaatsing verlengd had kunnen worden, maar nu appellante van deze twee maanden 24 dagen afwezig is geweest, waardoor andermaal continuïteit in het functioneren in aangepast werk ontbrak, kon het college hiertoe naar het oordeel van de Raad niet verplicht worden geacht. Deze feiten genomen in samenhang met de serieuze beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid, heeft het college met de uit het dossier gebleken re-integratie-inspanningen en de proefplaatsing naar het oordeel van de Raad voldaan aan de onder artikel 8:5, tweede lid, aanhef en onder b, van de ARG gestelde verplichting om een zorgvuldig herplaatsingsonderzoek te verrichten. Hierbij is het van belang dat het Uwv op 10 mei 2016 heeft vastgesteld dat het college voldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht.


4.6.

Het is niet aannemelijk geworden dat ten tijde van het primaire besluit sprake was van een duidelijk zicht op herstel van appellante. De vermelding in de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 6 april 2016 dat de verwachting is dat de medische situatie op termijn wezenlijk zal verbeteren, waarop appellante in dit kader heeft gewezen, is niet zodanig concreet, dat het college daaraan in redelijkheid de conclusie had moeten verbinden om (nog) geen toepassing te geven aan artikel 8:5 van de ARG. Daarbij acht de Raad van belang dat de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen in hoofdzaak nog dezelfde waren. Dat in het Uwv-besluit van 10 mei 2016 een verminderd arbeidsongeschiktheidspercentage is vastgesteld, doet hieraan niet af.


4.7.

Voor de niet onderbouwde stelling van appellante dat het re-integratietraject en de pogingen om passende arbeid voor haar te vinden het oogmerk hadden om tot beëindiging van het dienstverband te komen zijn geen aanknopingspunten gevonden. Het oordeel van de rechtbank dat het college in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om appellante wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid te ontslaan, wordt onderschreven.


4.8.

Het hoger beroep slaagt niet. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en H. Benek en

J.A.M. van den Berk als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De

beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2018.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) J. Smolders






LO