Centrale Raad van Beroep, 12-06-2018 / 16-6755 PW


ECLI:NL:CRVB:2018:1789

Inhoudsindicatie
Ten onrechte afgewezen aanvraag. Niet gebleken dat appellant niet woont op het opgegeven adres. Onvoldoende feitelijke grondslag. Opdracht nieuwe beslissing.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-06-12
Publicatiedatum
2018-06-26
Zaaknummer
16-6755 PW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

166755 PW


Datum uitspraak: 12 juni 2018


Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 6 oktober 2016, 16/5513 en 16/5493 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R.A. van Heijningen, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Heijningen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft op 18 mei 2016 bijstand aangevraagd ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Op zijn aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij verblijft op het adres [adres] (opgegeven adres) en dat hij daar gezamenlijk met anderen woont. Appellant staat vanaf 17 mei 2016 in de basisregistratie personen ingeschreven op het opgegeven adres.


1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft een handhavingsspecialist van Handhaving Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam, werkzaam binnen de afdeling Controle, (handhavingsspecialist) een onderzoek ingesteld naar onder andere de woonsituatie van appellant. In dat kader heeft de handhavingsspecialist appellant bij brief van 24 juni 2016 uitgenodigd voor een gesprek op 27 juni 2016. Appellant is op die afspraak verschenen en heeft een toelichting gegeven op zijn woon- en leefsituatie. Aansluitend aan het gesprek heeft een huisbezoek op het opgegeven adres plaatsgevonden. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een Rapport van bevindingen aanvraag alleenstaande van 28 juni 2016.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 29 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 juli 2016 (bestreden besluit), de aanvraag af te wijzen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant geen volledige inlichtingen heeft verstrekt over zijn woonsituatie, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 18 mei 2016, de datum van de aanvraag, tot en met 29 juni 2016, de datum van de afwijzing van de aanvraag.


4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.


4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat het college de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen, omdat hij wel degelijk voldoende informatie over zijn woon- en leefsituatie heeft verschaft op grond waarvan het recht op bijstand kan worden vastgesteld. Hij ontvangt zijn post op het opgegeven adres, zijn spullen staan daar en zijn dochter verblijft in de weekenden bij hem in zijn woning. Deze beroepsgrond slaagt. Daartoe is het volgende van belang.


4.4.1.

Uit het rapport van bevindingen van 28 juni 2016 blijkt dat appellant eerder in de periode van 1 september 2015 tot 1 januari 2016 bijstand ontving. Deze bijstand is beëindigd wegens werkaanvaarding in Spanje. Appellant is in mei 2016 naar Nederland teruggekeerd en heeft de in deze procedure aan de orde zijnde aanvraag om bijstand ingediend. Tijdens het gesprek op 27 juni 2016 heeft appellant verklaard dat hij inwonend is bij vrienden en met drie andere personen staat ingeschreven op het opgegeven adres. Appellant heeft verklaard dat hij op het opgegeven adres een eigen kamer, een soort zoldergedeelte, heeft en een sleutel van de woning. Hij slaapt daar twee tot drie keer per week. Meestal is dat één keer in de twee weken een weekend als zijn dochter er is. De nachten dat hij er niet is, verblijft hij op verschillende adressen, soms in Amsterdam, soms niet. Hij heeft verklaard vrijgezel te zijn en regelmatig bij diverse vriendinnen te overnachten. Hij beschikt niet meer over de adressen van deze vriendinnen. Over het opgegeven adres heeft appellant verklaard dat hij daar zijn kleding heeft, zijn laptop en een gameconsole. Zijn verzorgingsspullen en administratie bevinden zich ook op dat adres. De administratie bevindt zich nog in dozen, omdat appellant net uit Spanje is teruggekeerd.


4.4.2.

De door appellant tijdens het gesprek op 27 juni 2016 beschreven woonsituatie komt overeen met wat de handhavingsspecialist en een collega tijdens het afgelegde huisbezoek hebben aangetroffen. Bij het huisbezoek is een zolder, volledig ingericht als woonruimte, aangetroffen. Gevraagd naar zijn kleding wees appellant op twee openstaande koffers met herenkleding, die achter het bed tegen de muur stonden. In de badkamer toonde appellant zijn tandenborstel en douchegel. In de opslagkamer toonde appellant zijn verzorgingsspullen en horloges. Op de tafel in de woonkamer stond een laptop en achter de tafel een keyboard, waarover appellant verklaarde dat die van hem waren. In de opslagruimte toonde appellant een aantal dozen met opslagspullen van hem.


4.5.

Uit de bij het huisbezoek aangetroffen woonsituatie kan niet worden afgeleid dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het college heeft naar aanleiding van vragen daarover ter zitting bevestigd dat het niet beschikt over aanwijzingen dat appellant zijn woonadres had op een ander adres dan het opgegeven adres. Appellant heeft weliswaar verklaard dat hij in verband met zijn vrijgezellenbestaan regelmatig elders logeerde, maar dat wil niet zeggen dat hij daardoor niet zijn woonadres heeft op het opgegeven adres. Verder is van belang dat appellant zijn minderjarige dochter in de weekenden in zijn woning ontving en dat zijn spullen in de woning zijn aangetroffen. De verhuurster van de woning waar appellant verblijft heeft verklaard dat hij wegens het ontbreken van inkomsten nog geen huur betaalde. Zodra hij wel inkomsten zou hebben, zou worden besproken hoe de situatie zou worden opgelost. De rechtbank heeft ten onrechte doorslaggevende betekenis toegekend aan de verklaring van appellant dat hij twee tot drie nachten per week in de woning verblijft. Zoals hiervoor in 4.3 is overwogen dient de vraag waar iemand woont te worden beantwoord aan de hand van alle concrete feiten en omstandigheden. Anders dan het college stelt, heeft appellant, gelet op wat hiervoor is overwogen, aannemelijk gemaakt dat dit voor hem het opgegeven adres is.


4.6.

Uit 4.5 volgt dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke feitelijke grondslag berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen.


4.7.

Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Het is niet mogelijk om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Het college zal nader moeten onderzoeken of appellant vanaf 18 mei 2016 voldoet aan de overige voorwaarden om voor bijstandverlening in aanmerking te komen. Appellant heeft ter zitting verklaard dat hij vanaf 17 september 2016 is gaan werken, zodat het college onderzoek zal moeten doen naar het recht op bijstand over de periode van

18 mei 2016 tot 17 september 2016. Gelet daarop ziet de Raad af van toepassing van

artikel 8:51a van de Awb (de zogeheten bestuurlijke lus). Het college zal worden opdragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van

29 juni 2016, met inachtneming van deze uitspraak.


4.8.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.


5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep, in totaal € 2.004,- voor verleende rechtsbijstand.












BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 27 juli 2016;

- draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 29 juni 2016 te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat tegen dit besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.004,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en J.N.A. Bootsma en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2018.




(getekend) J.T.H. Zimmerman




De griffier is verhinderd te ondertekenen.






IJ