Centrale Raad van Beroep, 14-06-2018 / 16/2589 WIA


ECLI:NL:CRVB:2018:1800

Inhoudsindicatie
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd komt overeen met de gronden die hij eerder in de procedure naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden terecht verworpen. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die tot een andere conclusie kan leiden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-06-14
Publicatiedatum
2018-06-20
Zaaknummer
16/2589 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

162589 WIA


Datum uitspraak: 14 juni 2018


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

14 maart 2016, 15/2936 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. F.E.R.M. Verhagen, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2018. Appellant was vertegenwoordigd door mr. M.J.E.M. Edelmann, kantoorgenoot van mr. Verhagen, en het Uwv door V.A.R. Kali.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is werkzaam geweest als kok. Op 29 oktober 2009 is hij uitgevallen wegens psychische klachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd heeft het Uwv bij besluit van

22 september 2011 vastgesteld dat appellant met ingang van 28 oktober 2011 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Na een ziekmelding op 4 april 2012 in verband met een CVA heeft het Uwv bij besluit van 25 april 2014 vastgesteld dat appellant met ingang van 1 mei 2014 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.


1.2.

Naar aanleiding van een verzoek om een herbeoordeling wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid met ingang van 6 mei 2014 is appellant op 2 februari 2015 op het spreekuur van een verzekeringsarts onderzocht. Deze arts heeft op 10 maart 2015 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vastgesteld. Bij het daaropvolgende besluit van

12 maart 2015 is vastgesteld dat appellant met ingang van 6 mei 2014 geen recht heeft op een WIA-uitkering. Daarbij is overwogen dat appellant eerder op 28 oktober 2011 en op

5 februari 2014 de wachttijd heeft volgemaakt en dat de klachten die aan deze wachttijden ten grondslag hebben gelegen niet zijn toegenomen. Het door appellant tegen het besluit van

12 maart 2015 gemaakte bezwaar is in overeenstemming met een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep bij besluit van 14 augustus 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv het in het primaire besluit ingenomen standpunt ongewijzigd gehandhaafd.


2. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met het door het Uwv ingenomen standpunt en heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat destijds niet gebleken is van rugklachten en dat in de FML van 10 maart 2015 alleen psychische beperkingen zijn opgenomen.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat de rechtbank ten onrechte het door het Uwv ingenomen standpunt heeft onderschreven. Al in 2011 en 2014 was sprake van rugproblemen. De later vastgestelde kanaalstenose is daar een uitvloeisel van.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. In een rapport van

24 april 2018 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toelichting gegeven over de kniepeesreflex in verhouding tot rugklachten. Daarbij is verwezen naar bevindingen van de behandelend neuroloog.


4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd komt overeen met de gronden die hij eerder in de procedure naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden terecht verworpen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 24 april 2018 gemotiveerd uiteengezet dat de kanaalstenose geen verband houdt met eerdere klachten aan de rug en dat uit informatie van de behandelend neuroloog dit ook niet blijkt. Appellant is destijds niet voor rugklachten behandeld en in de FML van 2011 noch die van 2014 zijn daarvoor beperkingen opgenomen. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die tot een andere conclusie kan leiden.


4.3.

Het hoger beroep slaagt niet.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2018.




(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) R.H. Budde




GdJ