Centrale Raad van Beroep, 21-06-2018 / 17/5802 AW


ECLI:NL:CRVB:2018:1846

Inhoudsindicatie
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat, nu appellant niet wilde instemmen met buitengewoon verlof en zijn werkzaamheden wilde voortzetten, zoals hij ook ter zitting van de Raad heeft verklaard, het algemeen bestuur hem in redelijkheid heeft kunnen schorsen. Een schorsing in het belang van de dienst is in beginsel neutraal en niet diffamerend voor de ambtenaar die de schorsing treft. Omdat in de maatregel tot schorsing is bepaald dat appellant is geschorst voor de duur van het onderzoek en het noodzakelijke nadere beraad tot aan een volgend besluit en het algemeen bestuur onderbouwd heeft uiteengezet dat en hoe aan dit nader beraad invulling is gegeven, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de schorsing in duur beperkt had moeten worden tot 1 oktober 2016.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-06-21
Publicatiedatum
2018-06-26
Zaaknummer
17/5802 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2018/141
Uitspraak

175802 AW, 17/6918 AW


Datum uitspraak: 21 juni 2018



Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

12 juli 2017, 16/6788 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


het algemeen bestuur van Waterschap Vallei en Veluwe (algemeen bestuur)



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. B.E.J.M. Tomlow, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Namens het algemeen bestuur heeft mr. B.J. Boiten, advocaat, een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.


Appellant heeft zijn zienswijze over het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tomlow. Het algemeen bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Boiten, drs. T. Klip-Martin en drs. ing. K. Blokland.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was sinds 1987 werkzaam bij (de rechtsvoorgangers van) het Waterschap Vallei en Veluwe. Na een fusie is appellant op 1 januari 2013 benoemd tot [functie bij] dit waterschap.


1.2.

Op 26 februari 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden met appellant. In het gespreksverslag is onder meer vermeld dat ondanks afspraken en vele gesprekken de onderlinge relatie van de [teamleden] nog (te) fragiel en het onderlinge vertrouwen nog (te) broos is. De heemraden hebben hun zorg uitgesproken over het functioneren van het [team] . Zij vragen zich af of wel sprake is van een samenwerkend driemanschap en zien te weinig enthousiasme bij appellant om echt te veranderen. Op 17 en 29 september 2015 zijn voortgangsgesprekken gehouden met appellant.


1.3.

Op 30 november 2015 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen appellant, dijkgraaf K en heemraad S. In een verslag van dit gesprek is onder meer vermeld dat het appellant niet lukt om gewenste en afgesproken veranderingen met voldoende snelheid binnen de organisatie te laten landen. Ook toont appellant weinig tot geen sensitiviteit voor wat niet goed gaat. De samenwerking in het [team] is beter geworden, maar er zijn nog grote stappen te zetten. Appellant brengt de teamverantwoordelijkheid onvoldoende in de praktijk. Het tegen dit verslag gerichte bezwaar is bij besluit van 24 mei 2016 niet-ontvankelijk verklaard.


1.4.

Op 7 januari 2016 heeft een informeel gesprek plaatsgevonden tussen appellant en S en op 13 januari 2016 heeft appellant gesproken met K en S. In het verslag van het laatstgenoemde gesprek is onder meer te lezen dat appellant onvoldoende verandering heeft laten zien ten opzichte van 2014 en dat zowel appellant als K en S niet de verwachting heeft dat het wensbeeld van het dagelijks bestuur en de leidinggevende capaciteiten van appellant op elkaar gaan aansluiten. Insteek van het gesprek op 13 januari 2016 is te verkennen hoe appellant en het Waterschap Vallei en Veluwe onafhankelijk van elkaar verder kunnen.


1.5.

Op 6 april 2016 hebben de twee [teamleden] in een interne memo te kennen gegeven dat appellant solistisch blijft opereren, dat programma’s en taken waarvoor appellant verantwoordelijk is al weken stil staan en dat binnen het [team] geen sprake meer is van een open opbouwende samenwerking. De spanning van de huidige situatie in het [team] straalt uit naar de organisatie. Er gaat te veel energie verloren waardoor diverse medewerkers spanning voelen maar dit niet kunnen plaatsen. De effectiviteit van de overige [teamleden] wordt hierdoor fors beperkt.


1.6.

Partijen hebben overleg gevoerd over het beëindigen van het dienstverband met een minnelijke regeling, maar er is geen overeenstemming bereikt.


1.7.

Bij brief van 26 april 2016 is appellant onder meer het volgende meegedeeld: “Nu ook ons meest recente voorstel niet is aanvaard hebben wij niet langer de gedachte dat wij er in onderling overleg gaan uitkomen.”. Verder is in deze brief vermeld dat gezien de ernst van de signalen van het [team] , mede in het licht van de positie van appellant en het feit dat hij zich daarin niet herkent, nader onderzoek noodzakelijk is om te bezien of er nog voldoende draagvlak is voor voortzetting van de inzet van appellant. Er zal daartoe een intern draagvlakonderzoek worden uitgevoerd. Het dagelijks bestuur acht het niet langer verantwoord en ook niet in het belang van het onderzoek, waaraan betrokkenen in alle vrijheid deel moeten kunnen nemen, dat appellant nog werkzaamheden voor het waterschap verricht. Daarom is het dagelijks bestuur voornemens appellant te schorsen in het belang van de dienst. De brief bevat tevens het besluit om appellant hangende de besluitvorming over de schorsing met toepassing van artikel 4.3.2 van de Sectorale arbeidsvoorwaardenregelingen waterschapspersoneel (SAW) per direct bijzonder verlof te verlenen totdat over de schorsing is beslist.


1.8.

Nadat appellant zijn zienswijze op het voornemen tot schorsing bekend had gemaakt, is appellant bij besluit van 12 mei 2016 met toepassing van artikel 7:4, eerste lid, aanhef en onder c, van de SAW geschorst in het belang van de dienst voor de duur van het onderzoek en het noodzakelijke nadere beraad tot aan een volgend besluit. Bij besluit van 3 oktober 2016 (bestreden besluit) heeft het algemeen bestuur de bezwaren tegen het besluit tot verlenen van bijzonder verlof en het besluit van 12 mei 2016, deels in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie personele aangelegenheden Waterschap Vallei en Veluwe, ongegrond verklaard.


1.9.

Het draagvlakonderzoek is afgerond op 7 juli 2016. Bij besluit van 26 januari 2017 is aan appellant met ingang van 1 maart 2017 ontslag verleend op andere gronden.


2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 12 mei 2016 ongegrond is verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij de duur van de schorsing niet is beperkt tot 1 oktober 2016 en bepaald dat de duur van de schorsing is beperkt tot 1 oktober 2016. De rechtbank is van oordeel dat het algemeen bestuur appellant in redelijkheid in het belang van de dienst heeft kunnen schorsen, maar dat van het algemeen bestuur had moeten worden verwacht dat hij voor 1 oktober 2016 een nader besluit zou hebben genomen, nu het rapport over het draagvlakonderzoek begin juli 2016 is aangeboden. De duur van het noodzakelijk beraad was volgens de rechtbank verlopen en het algemeen bestuur had de duur van de schorsing bij het bestreden besluit moeten beperken tot 1 oktober 2016.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het algemeen bestuur hem in het geheel niet had mogen schorsen.


3.2.

Het algemeen bestuur heeft in incidenteel hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de schorsing in duur had moeten worden beperkt tot 1 oktober 2016.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Het hoger beroep


4.1.

Het schorsingsbesluit is gebaseerd op artikel 7.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de SAW. Volgens deze bepaling kan de ambtenaar worden geschorst wanneer schorsing wordt gevorderd door het belang van de dienst. Het gaat hier om een bevoegdheid van een bestuursorgaan om een ordemaatregel te treffen.


4.2.

Wat betreft de vraag of er voldoende grond was appellant te schorsen, neemt de Raad in aanmerking dat partijen in de periode voorafgaand aan het primaire besluit meerdere gesprekken hebben gevoerd over het functioneren van appellant en over een minnelijke regeling, omdat appellant volgens het algemeen bestuur onvoldoende in staat was om de gewenste en afgesproken veranderingen in de organisatie door te voeren. Het algemeen bestuur had niet langer het vertrouwen dat de noodzakelijke verandering in de organisatie bij appellant in goede handen was. Mede gezien de kritiek op appellants functioneren vanuit de directie, vormde de gerechtvaardigde wens om buiten aanwezigheid van appellant een draagvlakonderzoek te doen een toereikende grondslag voor deze ordemaatregel. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat, nu appellant niet wilde instemmen met buitengewoon verlof en zijn werkzaamheden wilde voortzetten, zoals hij ook ter zitting van de Raad heeft verklaard, het algemeen bestuur hem in redelijkheid heeft kunnen schorsen.


4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8683) is een schorsing in het belang van de dienst in beginsel neutraal en niet diffamerend voor de ambtenaar die de schorsing treft. De Raad volgt appellant niet in diens stelling dat de maatregel van schorsing in dit geval een diffamerend karakter heeft.


4.4.

De Raad concludeert dus, met de rechtbank, dat de maatregel tot schorsing is genomen op goede, aan het dienstbelang ontleende, gronden.


Het incidenteel hoger beroep


4.5.

Het algemeen bestuur heeft aangevoerd dat appellant is geschorst voor de duur van het onderzoek en het noodzakelijke nadere beraad tot aan een volgend besluit en dat, toen het draagvlakonderzoek was afgerond, invulling is gegeven aan dat nadere beraad. In dit verband is naar voren gebracht dat het algemeen bestuur een reactie heeft gegeven op het rapport en partijen met elkaar hebben gesproken om te bezien of een minnelijke oplossing mogelijk was. Toen geen overeenstemming werd bereikt en partijen verdeeld bleken over de interpretatie van de Wet normering topinkomens, is gezamenlijk besloten om de kwestie voor te leggen aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Eind november 2016 en begin december 2016 heeft het Ministerie partijen hierover nader geïnformeerd. Deze informatie heeft partijen in hun onderlinge besprekingen niet nader tot elkaar gebracht. Vervolgens is medio december 2016 een ontslagprocedure gestart.


4.6.

Nu in de maatregel tot schorsing is bepaald dat appellant is geschorst voor de duur van het onderzoek en het noodzakelijke nadere beraad tot aan een volgend besluit en het algemeen bestuur onderbouwd heeft uiteengezet dat en hoe aan dit nader beraad invulling is gegeven, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de schorsing in duur beperkt had moeten worden tot 1 oktober 2016.


Conclusie


4.7.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat het incidenteel hoger beroep van het algemeen bestuur wel slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING



De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 oktober 2016 ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en H. Benek en

J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2018.




(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans




(getekend) J.M.M. van Dalen




ew