Centrale Raad van Beroep, 14-06-2018 / 16/2543 WAZ


ECLI:NL:CRVB:2018:1980

Inhoudsindicatie
Ingangsdatum aanvraag. Verlate aanvraag. Ten aanzien van appellant doet zich geen bijzonder geval voor. (Medische) gegevens.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-06-14
Publicatiedatum
2018-07-03
Zaaknummer
16/2543 WAZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

162543 WAZ


Datum uitspraak: 14 juni 2018


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

16 maart 2016, 15/2551 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. K. Aslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Aslan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. H. ten Brinke.



OVERWEGING


1.1.

Appellant heeft op 2 maart 2015 (ingekomen bij het Uwv op 6 maart 2015) een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) gedaan in verband met sinds 1997 bestaande heupklachten. Bij besluit van

28 juli 2015 is aan hem met ingang van 6 maart 2014 (één jaar voor de datum van aanvraag) een WAZ-uitkering toegekend.


1.2.

Het door appellant tegen het besluit van 28 juli 2015 gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 oktober 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een bijzonder geval, op grond waarvan de uitkering eerder kan ingaan.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingediende beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat hetgeen door appellant in beroep naar voren is gebracht geen toereikende grondslag biedt voor de conclusie dat er sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 36, tweede lid, van de WAZ. De enkele mededeling van de huisarts dat appellant in de van belang zijnde periode niet meer helder kon nadenken wegens een PTSS is daarvoor onvoldoende. Deze stelling is op geen enkele wijze nader medisch onderbouwd, terwijl ook niet is gebleken dat appellant in die periode doorverwezen is naar een psychiater om zijn psychische problemen aan te pakken. Tenslotte is de rechtbank niet gebleken dat bij appellant overigens sprake is geweest van zodanige ernstige psychische problematiek dat hij niet in staat is geweest eerder een WAZ-uitkering aan te vragen.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant wederom gesteld dat hij niet eerder een aanvraag heeft kunnen indienen omdat hij vanaf 1997 traumatische stressklachten heeft ontwikkeld waardoor een PTSS is ontstaan. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij verwezen naar een brief van de huisarts van 25 april 2018.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.


4.1.

De Raad komt tot het volgende oordeel.


4.2.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WAZ kan de uitkering niet eerder ingaan dan één jaar voor de dag waarop de aanvraag werd ingediend. In bijzondere gevallen kan het Uwv daar met toepassing van het tweede lid van dit artikel van afwijken. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 27 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN5201) kan slechts van een bijzonder geval worden gesproken indien de betrokken verzekerde ter zake van een verlate aanvraag redelijkerwijs gesproken niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest. Dit kan onder meer het geval zijn, als hij kennelijk niet in staat is geweest eerder een aanvraag in te dienen, terwijl tevens geen beroep kon worden gedaan op personen in de directe omgeving.


4.3.

Geoordeeld wordt dat zich ten aanzien van appellant geen bijzonder geval voordoet als hiervoor bedoeld. Uit de beschikbare (medische) gegevens is niet gebleken dat bij appellant sprake is geweest van psychisch onvermogen om, al dan niet met hulp, eerder een aanvraag in te dienen. Ook uit de door appellant in hoger beroep overgelegde brief van de huisarts kan dit niet worden opgemaakt. In de probleemlijst worden psychische klachten niet genoemd, noch blijkt daaruit dat appellant is verwezen voor behandeling van dergelijke klachten. Dat er te veel somatische klachten zouden zijn, waardoor niet aan behandeling van psychische klachten is toegekomen, leidt niet tot een andere conclusie. Appellant is immers wel in staat gebleken een bijstandsuitkering aan te vragen. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft besloten de ingangsdatum van de WAZ-uitkering vast te stellen op 6 maart 2014, zijnde één jaar voor de datum waarop de aanvraag bij het Uwv is binnengekomen.


4.4.

Gelet op het vorenstaande moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BELISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2018.




(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) R.H. Budde



GdJ