Centrale Raad van Beroep, 03-07-2018 / 16-5717 PW


ECLI:NL:CRVB:2018:1997

Inhoudsindicatie
Vrijlating inkomsten uit vrijwilligerswerk. Geen hoge vrijlating omdat het geen vrijwilligerswerk betreft in kader van voorziening naar arbeidsinschakeling. Appellante was vrijgesteld van arbeidsinschakeling.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-07-03
Publicatiedatum
2018-07-09
Zaaknummer
16-5717 PW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

165717 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 juli 2016, 16/2979 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)


het college van burgemeester en wethouders van Gouda (college)



Datum uitspraak: 3 juli 2018


PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2018. Namens appellante is

mr. Van den Heuvel verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante, geboren in 1955, ontving ten tijde hier van belang bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

Appellante is jarenlang vrijgesteld van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9,

eerste lid, onder a van de Wet werk en bijstand (arbeidsverplichtingen), laatstelijk tot

19 december 2014. De organisatie A-REA heeft naar aanleiding van een belastbaarheidsonderzoek in maart 2014 geconcludeerd dat appellante langdurige medische beperkingen ondervindt, dat daarin geen verbetering is te verwachten, dat de randvoorwaarden voor passend werk zeer specifiek zijn en dat de afstand tot de arbeidsmarkt, gezien de lange werkloosheidsduur en de leeftijd van appellante, groot is.


1.3.

Appellante is vanaf mei 2014 op eigen initiatief vrijwilligerswerk gaan verrichten bij [instelling]. Hiervoor heeft zij maandelijks een vrijwilligersvergoeding van € 120,- ontvangen.


1.4.

Bij besluit van 28 oktober 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 maart 2016 (bestreden besluit), heeft het college appellante opnieuw vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid aanhef en onder a van de PW, nu

tot en met 15 oktober 2017, en haar toestemming verleend vrijwilligerswerk te verrichten. Daarnaast heeft het college appellante meegedeeld dat van de door haar ontvangen vrijwilligersvergoeding per 1 november 2015 een bedrag van € 95,- per maand wordt vrijgelaten tot een maximum van € 764,- per jaar en het meerdere wordt gekort op haar bijstandsuitkering. Aan deze besluitvorming ligt ten grondslag dat in dit geval de zogenoemde lage vrijlating als bedoeld in artikel 7, aanhef en onder h, van de Regeling PW, IOAW en IOAZ van toepassing is. Daarbij is het college ervan uitgegaan dat het door appellante uitgevoerde vrijwilligerswerk geen door het college aangeboden voorziening gericht op de arbeidsinschakeling betreft.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de PW wordt niet tot de middelen gerekend: een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag. De Regeling WWB, IOAW en IOAZ (Regeling) is de hier bedoelde ministeriële regeling.


4.1.1.

Op grond van artikel 7, aanhef en onder a, van de Regeling, zoals dit artikel luidde

ten tijde hier van belang, worden niet tot de middelen, bedoeld in artikel 31 van de wet, gerekend: een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste

€ 95,- per maand met een maximum van € 764,- per jaar, dan wel een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet van ten hoogste € 150,- per maand met een maximum van € 1.500,- per jaar.


4.1.2.

Bij Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 december 2015 (Staatscourant 22 december 2005, nummer 249, pagina 35) is de Regeling met ingang van 1 januari 2006 gewijzigd en vastgesteld als weergegeven onder 4.1.1. In de toelichting bij de wijziging van de Regeling is het volgende opgenomen:


“Het kabinet wil (…) gemeenten (…) de mogelijkheid bieden om, in het geval het vrijwilligerswerk plaatsvindt in het kader van een voorziening gericht op de arbeidsinschakeling, aan te sluiten bij de onbelaste kostenvergoeding zoals deze per 1 januari 2006 zal gaan gelden (…). Het gaat hierbij om die gevallen, waarin het college het aanbieden van vrijwilligerswerk noodzakelijk acht in het kader van de arbeidsinschakeling.

In alle andere gevallen bedraagt de hoogte van de (…) vrijgelaten kostenvergoeding € 95,- per maand met een maximum van € 764,- per jaar. (…).”


4.1.3.

Uit artikel 7 van de Regeling en de onder 4.1.2 weergegeven toelichting, in samenhang bezien, blijkt dat, om voor de zogenoemde hoge vrijwilligersvergoeding in aanmerking te komen, het moet gaan om een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.


4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat het door haar verrichte vrijwilligerswerk een voorziening gericht op arbeidsinschakeling betreft. Zij meent dat de aangevallen uitspraak

op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.


4.2.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. In dit geval gaat het niet om een door het college aangeboden voorziening. Appellante heeft het vrijwilligerswerk, zoals niet in geschil is, op eigen initiatief gevonden. Bovendien was zij ten tijde in geding vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen, zonder dat zij volgens het bureau A-REA op afzienbare termijn uitzicht had op betaald werk. Appellante heeft in het licht van deze omstandigheden niet aannemelijk gemaakt dat zij activiteiten verrichtte in het kader van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.


4.3.

Appellante heeft daarnaast aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het college ten tijde van de besluitvorming een nieuw onderzoek had moeten doen naar de bemiddelbaarheid en belastbaarheid van appellante.


4.3.1.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De eventuele omstandigheid dat aan appellante

op grond van de uitkomsten van een nieuw onderzoek een voorziening gericht op arbeidsinschakeling zou kunnen of had moeten worden aangeboden brengt niet mee dat het vrijwilligerswerk dat hier aan de orde is alsnog moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Of het college aanleiding had moeten zien voor een nader onderzoek naar de belastbaarheid en de bemiddelbaarheid van appellante kan hier dan ook in het midden blijven.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3.1 volgt dat het college terecht de, ten tijde in geding geldende, zogenoemde lage vrijwilligersvergoeding op het vrijwilligerswerk van appellante heeft toegepast.


4.5.

Het hoger beroep slaagt gelet op 4.4 niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en W.H. Bel en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2018.




(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) F. Dinleyici






LO