Centrale Raad van Beroep, 03-07-2018 / 16-3717 PW


ECLI:NL:CRVB:2018:2006

Inhoudsindicatie
Niet gemelde gezamenlijke huishouding. Onweerlegbaar rechtsvermoeden. Voldoende grondslag. Boete. Normale verwijtbaarheid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-07-03
Publicatiedatum
2018-07-09
Zaaknummer
16-3717 PW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

163717 PW, 17/1693 PW


Datum uitspraak: 3 juli 2018


Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van

26 april 2016, 15/3705 (aangevallen uitspraak 1), en 2 februari 2017, 16/3246

(aangevallen uitspraak 2)






Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)


het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)



PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat, hoger beroepen ingesteld.


Het college heeft verweerschriften ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgehad op 9 april 2018. Namens appellante is mr. Van de Waarsenburg verschenen, vergezeld van [naam] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Leenders.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 1 juli 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), per 1 januari 2015 de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%. Appellante staat ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op het adres [adres 1] (uitkeringsadres). Op 18 juli 2014 is uit de relatie tussen appellante en [naam] (C) een zoon geboren. C staat in de BRP ingeschreven op het adres [adres 2] .


1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding op 15 oktober 2014 dat appellante zou samenwonen op het uitkeringsadres, hebben fraudepreventiemedewerkers van Bureau Handhaving van de gemeente Nijmegen (fraudepreventiemedewerkers) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De fraudepreventiemedewerkers hebben dossieronderzoek verricht, waarnemingen verricht, getuigen gehoord, appellante op 5 januari 2015 gehoord en aansluitend een huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 januari 2015.


1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest bij besluit van 20 januari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 juni 2015 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante met ingang van 18 juli 2014 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 18 juli 2014 tot en met 31 december 2014 tot een bedrag van

€ 8.278,76 bruto van appellante terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante en C vanaf 18 juli 2014 een gezamenlijke huishouding voeren op het uitkeringsadres. Appellante heeft hiervan in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding gemaakt bij het college.


1.4.

Bij besluit van 3 november 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 mei 2016 (bestreden besluit 2), heeft het college appellante een boete opgelegd van € 2.908,- wegens schending van de inlichtingenverplichting. Daarbij heeft het college de hoogte van de boete bepaald op 50% van het benadelingsbedrag, zijnde het bedrag dat appellante als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte aan bijstand heeft ontvangen. Bij het bepalen van de hoogte van de boete is het college uitgegaan van normale verwijtbaarheid.


2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Appellante heeft betwist dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat zij en C niet een gezamenlijke huishouding voerden. Daartoe heeft zij aangevoerd dat C geen hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Uit het gespreksverslag van 5 januari 2015 volgt dat aan appellante het begrip gezamenlijke huishouding is uitgelegd, maar daaruit volgt niet wat precies aan appellante is uitgelegd, zodat uit het daarop volgende deel van de verklaring van appellante niet de conclusie kan worden getrokken dat appellante zelf op basis van de feitelijke situatie van haar en C heeft geconcludeerd dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Verder heeft appellante aangevoerd dat op grond van de getuigenverklaringen niet de conclusie kan worden getrokken dat C hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat uit de door haar ingediende verklaringen van haar buurvrouw op het adres [adres 3] , de ouders van C, de moeder van appellante en van [naam bedrijf] , volgt dat appellante en C niet samenwoonden op het uitkeringsadres.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Intrekking en terugvordering


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 18 juli 2014 tot en met 20 januari 2015.


4.2.

Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellante en C [in] 2014 een kind is geboren, is ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB, thans PW, voor de beantwoording van de vraag of gedurende de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en C hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.


4.3.

Appellante en C stonden in de te beoordelen periode op verschillende adressen in de BRP ingeschreven. Dat staat echter op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning. Aannemelijk zal moeten zijn dat hetzelfde adres als hoofdverblijf van beiden fungeert. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.


4.4.

Of de rechtbank het onder 3 vermelde deel van de verklaring van appellante onjuist heeft gewogen dan wel geïnterpreteerd kan in het midden blijven omdat, ook indien dit deel van de verklaring buiten beschouwing wordt gelaten, de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat in de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf op het uitkeringsadres. Hierbij wordt betekenis toegekend aan wat appellante tijdens het verhoor op 5 januari 2015 verder heeft verklaard, de verklaringen van getuigen [naam getuige 1] (S) en [naam getuige 2] (H), de verrichte waarnemingen en de bevindingen uit het afgelegde huisbezoek.


4.4.1.

Appellante heeft op 5 januari 2015 onder meer verklaard dat C vanaf de geboorte van hun zoon veel meer bij haar is, dat zij en C in elk geval tot eind 2014 bij elkaar waren, dat C bij haar slaapt en doucht, dat hij ook kleding op het uitkeringsadres heeft liggen, alsmede zijn toilet- en scheerspullen, zijn Xbox en zijn administratie. Voorts heeft zij verklaard dat C een sleutel heeft van haar woning en altijd via de achterdeur naar binnen komt; heel af en toe gaat hij via de voorzijde.


4.4.2.

Uit de verklaring van getuige S komt naar voren dat de witte bestelauto, waarvan onbestreden is dat C bestuurder/eigenaar is, vanaf april 2014 voor haar deur of die van haar buren aan [straat] te [gemeente] staat geparkeerd. Dagelijks stoort zij zich aan deze parkeersituatie omdat de bestelauto niet daar maar bij het uitkeringsadres hoort. S heeft verklaard dat de bestuurder/eigenaar van de bestelauto daar samenwoont met een vrouw van wie hij een kind heeft dat in juli 2014 is geboren. Dat hij daar woont, leidt S af uit het feit dat C ’s morgens rond acht uur via de achtertuin van het uitkeringsadres aan komt lopen, door de poort heen loopt, hier uitkomt en in zijn auto stapt. ’s Middags rond een uur of vijf komt hij thuis en loopt hij dezelfde weg terug. S heeft verder verklaard dat zij denkt dat de man en vrouw al zeker twee jaar samenwonen. In ieder geval vanaf het moment dat zij op het uitkeringsadres woont. Getuige H heeft verklaard dat C mogelijk de man is die zijn witte bestelauto in de straat parkeert, de poort inloopt en aan de achterzijde van de [adres 1] de tuin en de woning ingaat. Dit betreft de derde woning vanaf de hoek. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van het college onbetwist toegelicht dat dit de woning van appellante is.


4.4.3.

De verklaringen van de getuigen zijn gebaseerd op eigen waarnemingen en voldoende concreet en specifiek. Voorts worden de verklaringen van appellante en getuigen S en H ondersteund door de in de periode van 5 november 2014 tot en met 23 november 2014 verrichte waarnemingen, waarbij de bestelauto van C veelvuldig en op verschillende plaatsen nabij het uitkeringsadres is aangetroffen, alsmede door de bevindingen uit het op 5 januari 2015 afgelegde huisbezoek, waarbij bezittingen van C in de woning van appellante zijn aangetroffen.


4.5.

Met betrekking tot de in beroep overgelegde verklaringen van de buurvrouw van appellante, de moeder van appellante en de ouders van C heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat deze verklaringen niet concreet zijn, dan wel inconsistenties bevatten. Aan deze verklaringen kan daarom niet de door appellante gewenste waarde worden toegekend.


4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat appellante en C een gezamenlijke huishouding voerden in de te beoordelen periode.


Boete


4.7.

Op grond van artikel 18a, eerste lid, van de PW legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de inlichtingenverplichting. Van toepassing zijn artikel 18a van de PW en het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals deze met ingang van 1 januari 2017 luiden. Voor een weergave van de relevante uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt eveneens verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12.


4.8.

Uit 4.4 volgt dat het college ook heeft aangetoond dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de gezamenlijke huishouding. Appellante kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Het college was verplicht een boete op te leggen. De opgelegde boete van € 2.908,- is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellante gebleken omstandigheden.


4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat de hoger beroepen van appellante niet slagen. De aangevallen uitspraken moeten daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.



Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum als voorzitter en M. Hillen en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2018.




(getekend) J.L. Boxum




(getekend) L.V. van Donk




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding



ew