Centrale Raad van Beroep, 04-07-2018 / 16/4042 WIA


ECLI:NL:CRVB:2018:2037

Inhoudsindicatie
Gelet op het onder 4.5 weergegeven standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep moet ervan uit worden gegaan dat de per einde wachttijd bij appellant vastgestelde verminderde belastbaarheid, voor zover deze het gevolg is van de bij appellant bestaande psychiatrische aandoening, duurzaam is te achten. Arbeidsdeskundige heeft op basis van FML van 27 januari 2015 geen functies kunnen selecteren. Deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien leiden tot de conclusie dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant per 27 februari 2015 tevens als duurzaam valt aan te merken. De Raad voorziet zelf.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-07-04
Publicatiedatum
2018-07-10
Zaaknummer
16/4042 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

164042 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

24 mei 2016, 15/9410 (aangevallen uitspraak)





Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



Datum uitspraak: 4 juli 2018


PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.A. Spek, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding.


Appellant heeft een nader stuk ingediend.


Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Spek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als automonteur. Hij heeft zich vanuit een situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving op 1 maart 2013 ziek gemeld met psychische klachten.


1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv een verzekeringsgeneeskundig onderzoek ingesteld. In zijn rapport van 22 juli 2015 heeft een verzekeringsarts vermeld dat appellant bekend is met PTSS, een depressieve episode en klachten van het linkerbeen na polio. Na het einde van de wachttijd heeft appellant op 13 juni 2015 een miltinfarct gekregen en is de diagnose chronische myeloïde leukemie (CML) gesteld. De verzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat appellant benutbare mogelijkheden heeft. De belastbaarheid van appellant is weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 januari 2014 (geldig per einde wachttijd) en een FML van 22 juli 2015 (geldig vanaf 12 juni 2015). De verwachting is dat de medische situatie van appellant op lange termijn wezenlijk zal verbeteren. Vervolgens is een arbeidsdeskundige tot de slotsom gekomen dat appellant niet geschikt is voor zijn laatstelijk verrichte werk en voor hem geen functies zijn te selecteren die hij zou kunnen verrichten. Het Uwv heeft hierop bij besluit van 12 augustus 2015 vastgesteld dat voor appellant vanaf 27 februari 2015 (datum in geding) recht op een loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%.


1.3.

Bij besluit van 25 november 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 augustus 2015 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 november 2015 ten grondslag, waarin is geconcludeerd dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant niet duurzaam is. Appellant heeft daarom geen recht op een IVA-uitkering.


2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant voor zijn psychische en lichamelijke klachten, in het bijzonder die ten gevolge van CML, wordt behandeld. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze behandelmogelijkheden geen resultaat zouden kunnen opleveren. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat mogelijkheden tot verbetering van de belastbaarheid in arbeid voor appellant bij adequate therapie en begeleiding/activering niet uit te sluiten zijn, zodat de beperkingen van appellant niet duurzaam waren op 27 februari 2015 en evenmin op 12 juni 2015. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv appellant daarom terecht vanaf 27 februari 2015 niet in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering.


3.1.

Appellant heeft zich ook in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hij op de datum in geding volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. Appellant heeft zijn standpunt onderbouwd met informatie van de behandelend sector. Ter zitting heeft appellant zijn verzoek om schadevergoeding niet langer gehandhaafd.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

In geschil is alleen de vraag of de op 27 februari 2015 bestaande volledige arbeidsongeschiktheid van appellant tevens duurzaam is te achten in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat appellant op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van de toegekende WGA-uitkering.


4.2.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek en zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.


4.3.

In de uitspraak van 4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) is overwogen dat de verzekeringsarts zich blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet WIA een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij een inschatting dient te worden gemaakt van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.


4.4.

Voor de onderbouwing van het standpunt van het Uwv dat de arbeidsongeschiktheid van appellant op 25 februari 2015 geen duurzaam karakter heeft, is het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 november 2015 van belang. Deze verzekeringsarts heeft het stappenplan uit het beoordelingskader voor de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen (stappenplan) gevolgd. Omdat appellant wordt behandeld voor de CML heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat behandelmogelijkheden niet ontbreken. Er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid op een termijn van 1 à 2 jaar. In de loop van de behandeling is een medische herbeoordeling aangewezen om te beoordelen wat het effect van de behandeling is op de beperkingen en mogelijkheden van appellant. Voor de psychische klachten zijn mogelijkheden tot verbetering van de belastbaarheid in arbeid bij adequate therapie en activering/begeleiding volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep evenmin uit te sluiten.


4.5.

In hoger beroep heeft een andere verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 25 april 2018 over de psychische problematiek van appellant het volgende opgemerkt:


“(….) Wat betreft de psychische problematiek spreekt de psychiater niet van een gunstige prognose. De collega verzekeringsarts SMZ overweegt in zijn rapportage van 22-7-15 dat de prognose van de psychiatrische problematiek mede wordt bepaald door het voortduren van psychosociale problematiek. Mocht sprake zijn van volledige arbeidsongeschiktheid die tevens volledig een gevolg is van een verminderde belastbaarheid als gevolg van de psychiatrische aandoening, dan zou dit kunnen betekenen dat de volledige arbeidsongeschiktheid duurzaam is. Maar belanghebbende is niet volledig afgekeurd op psychiatrische gronden. De beperkingen als gevolg van de leukemie zullen een belangrijke rol hebben gespeeld bij de volledige afkeuring. (….)”.


Voor wat betreft de CML heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat uit informatie van de behandelend specialist volgt dat er voldoende argumenten zijn om te stellen dat de verwachting van verbetering redelijk tot goed is. Appellant zal weliswaar zijn leven lang moeten worden behandeld, maar er bestaat met behandeling onder goede follow-up een goede prognose.


4.6.

Gelet op het onder 4.5 weergegeven standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep moet ervan uit worden gegaan dat de per einde wachttijd bij appellant vastgestelde verminderde belastbaarheid, voor zover deze het gevolg is van de bij appellant bestaande psychiatrische aandoening, duurzaam is te achten. De Raad gaat daarbij voorbij aan het andersluidende standpunt dat ter zitting namens het Uwv is in genomen, nu hierover geen ruggespraak is gehouden met de betrokken verzekeringsarts bezwaar op beroep en dit standpunt niet wordt gesteund door de beschikbare gegevens. Bij appellant is in mei 2013 als hoofddiagnose PTSS gesteld. De psychosociale problematiek veroorzaakt daarnaast depressieve klachten en een angststoornis. Gezien de aard van de klachten en de complexiteit van de PTSS is de prognose door de behandelaars in 2013 onduidelijk geacht. In februari 2015 was de gezondheidstoestand niet veranderd en is de traumabehandeling door de behandelaar van i-psy afgesloten en voortgezet door PsyQ. Bij het voortzetten van de behandeling aldaar is geen verbetering bereikt. Daar komt bij dat er geen enkel zicht is op een verbetering van de psychosociale problematiek van appellant.


4.7.

De per einde wachttijd bij appellant bestaande psychische beperkingen zijn neergelegd in de FML van 27 januari 2015. In die FML is – anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 25 april 2018 heeft verondersteld – geen rekening gehouden met de beperkingen ten gevolge van de CML die zich op 12 juni 2015 bij appellant heeft geopenbaard. Vaststaat dat de arbeidsdeskundige op basis van de FML van 27 januari 2015 geen functies heeft kunnen selecteren. Deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien leiden tot de conclusie dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant per 27 februari 2015 tevens als duurzaam valt aan te merken.

4.8.

Uit 4.6 en 4.7 volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd.


5. De Raad ziet onder toepassing van artikel 8:72, derde lid en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht aanleiding zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat appellant met ingang van 27 februari 2015 recht heeft op een IVA‑uitkering.


6. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.002,- in beroep en

€ 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal op € 2.004,-.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 25 november 2015;

herroept het besluit van 12 augustus 2015 en bepaalt dat appellant met ingang van

27 februari 2015 in aanmerking komt voor een IVA‑uitkering en bepaalt dat deze uitspraak

in de plaats treedt van het besluit van 25 november 2015;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.004,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 169,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en

D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2018.




(getekend) R.E. Bakker




(getekend) B. Dogan




RB