Centrale Raad van Beroep, 05-07-2018 / 16/1623 WIA


ECLI:NL:CRVB:2018:2053

Inhoudsindicatie
Appellante heeft geen recht op een WIA-uitkering, omdat appellante geschikt is voor haar eigen werk.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-07-05
Publicatiedatum
2018-07-11
Zaaknummer
16/1623 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

16/1623 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

28 januari 2016, 14/7808 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om

veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 5 juli 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.F. van Willigen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2018. Namens appellante is verschenen mr. Van Willigen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is laatstelijk voor 18 uur per week werkzaam geweest als algemeen medewerkster op grond van de Wet sociale werkvoorziening op de [naam afdeling] bij de [naam voorziening]. Zij heeft zich op 26 maart 2012 ziek gemeld met onder meer schouderklachten en psychische klachten. Naar aanleiding van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft een verzekeringsarts op 13 januari 2014 rapport uitgebracht. Deze arts heeft dossierstudie verricht, informatie van de huisarts verkregen en een lichamelijk en psychisch onderzoek verricht. Volgens de verzekeringsarts is bij appellante sprake van een aanpassingsstoornis, pijn in de schouders en aspecifieke rugpijn. De psychische klachten zijn fors afgenomen maar er resteert nog een beperkte stresstolerantie. Bij het verrichten van arbeid dient daarnaast rekening te worden gehouden met schouder- en rugbeperkingen. De voor appellante geldende beperkingen zijn in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 januari 2014 vastgelegd. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige geoordeeld dat appellante geschikt is voor haar eigen werk. Bij besluit van 10 maart 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 24 maart 2014 (datum in geding) geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat appellante geschikt is voor haar eigen werk.


1.2.

Tegen het besluit van 10 maart 2014 is bezwaar gemaakt. In dat kader is appellante onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 16 september 2014. Bij het onderzoek is de in bezwaar verkregen informatie van de huisarts en de eindrapportage van Physique, centrum voor sport & gezondheid, van 14 januari 2013 (bedoeld is 2014), betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan zich verenigen met de door de verzekeringsarts voor appellante vastgestelde beperkingen. Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv het bezwaar van appellante bij besluit van 23 september 2014 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht. Alle naar voren gebrachte klachten, de onderzoeksbevindingen en de in het dossier aanwezige informatie van de behandelende sector zijn op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. De rechtbank volgt het standpunt van het Uwv dat de verwijzing in het rapport van de verzekeringsarts van 13 januari 2014 naar een verslag van 9 januari 2014 betrekking heeft op een spreekuurverslag van 4 maart 2013. Het Uwv heeft geen informatie kunnen vinden die erop duidt dat appellante op 9 januari 2014 in het kader van een

Ziektewet-beoordeling op spreekuur is geweest. Verder heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de belasting van de maatmanfunctie de medische belastbaarheid van appellante (zoals verwoord in de FML van 13 januari 2014) niet overschrijdt.


3. In hoger beroep heeft appellante, kort samengevat, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het Uwv, dat het verslag van 9 januari 2014 van verzekeringsarts Van Brakel niet bestaat, heeft gevolgd. Uitgaande van de veronderstelling dat Van Brakel op 9 januari 2014 heeft geconcludeerd dat appellante ongeschikt is voor haar maatgevende functie, kan de conclusie van een andere verzekeringsarts op 14 januari 2014 dat zij geschikt is voor haar eigen werk, niet staande worden gehouden. Het oordeel van de verzekeringsarts dat de psychische klachten van appellante fors zijn afgenomen strookt niet met het eindverslag van het Arboteam van 18 oktober 2013 en evenmin met de bevindingen van Physique van 14 januari 2014.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hebben verricht en dat aanknopingspunten ontbreken om aan te nemen dat zij van onvolledige of onjuiste medische beperkingen zijn uitgegaan.


4.2.

Aan appellante kan worden toegegeven dat in het rapport van de verzekeringsarts van

13 januari 2014 een samenvatting wordt gegeven van een verslag van verzekeringsarts Van Brakel waarin de psychische situatie van appellante ernstiger wordt ingeschat, en dat als datum van dit verslag wordt vermeld 9 januari 2014, dus slechts enkele dagen voor het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De Raad acht echter aannemelijk dat deze samenvatting is ontleend aan de inhoud van het rapport van Van Brakel van 4 maart 2013. De gehanteerde formuleringen komen exact overeen met die uit het rapport van 4 maart 2013. Verder wordt van belang geacht dat het Uwv te kennen heeft gegeven dat er geen gegevens zijn die erop duiden dat appellante op 9 januari 2014 is gezien door Van Brakel. Een spreekuur op die datum is onwaarschijnlijk, omdat het Arboteam op 18 oktober 2013 een eindverslag heeft uitgebracht, bedoeld voor een eventueel verder in te zetten WIA-traject. Verder heeft appellante haar WIA-aanvraag op 28 december 2013 ingediend en wordt het niet aannemelijk geacht dat zij op 9 januari 2014 in het kader van een Ziektewet-beoordeling nog wordt onderzocht door een verzekeringsarts.


4.3.

De stelling van appellante dat in het eindverslag van het Arboteam van 18 oktober 2013 en het rapport van Physique van 14 januari 2014 aanknopingspunten zijn te vinden voor het oordeel dat de belastbaarheid van appellante is overschat, wordt niet gevolgd. Hierbij wordt van belang geacht dat zowel de primaire verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep zelfstandig onderzoek hebben verricht en beiden tot de conclusie zijn gekomen dat bij appellante geen sprake is van een depressieve stoornis. Wel is appellante op basis van een aanpassingsstoornis psychisch beperkt geacht. Het eindverslag van het Arboteam bevat conclusies die ontleend zijn aan het verslag van de verzekeringsarts Van Brakel van

4 maart 2013. Deze conclusies hebben dan ook geen betrekking op de datum in geding. Het rapport van Physique van 14 januari 2014 is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep betrokken bij het onderzoek, maar heeft niet geleid tot verdergaande beperkingen. Dat rapport bevat een uitslag van een door appellante ingevulde vragenlijst die haar psychische klachten in kaart brengt. Aan de uitslag van die vragenlijst kan geen doorslaggevende waarde worden toegekend, omdat het hanteren van een dergelijke vragenlijst niet kan worden aangemerkt als objectief medisch onderzoek. De in het rapport van Physique neergelegde visie van de psycholoog, dat appellante weliswaar baat heeft gehad bij de begeleiding, maar dat haar lijdensdruk niet is verminderd, is vooral anamnestisch van aard en bevat onvoldoende concrete en objectieve aanwijzingen voor het oordeel dat de objectieve psychische beperkingen van appellante zijn onderschat.


4.4.

De rechtbank is met juistheid tot het oordeel gekomen dat appellante geschikt is te achten voor haar eigen werk. In de arbeidskundige rapporten van 10 maart 2014 en

17 september 2014 is overtuigend toegelicht dat appellante, uitgaande van de in de FML opgenomen beperkingen, op de datum in geding in staat was haar eigen werk te verrichten.


4.5.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Bij deze uitkomst is voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen ruimte.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van

G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2018.



(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum




(getekend) G.D. Alting Siberg




sg