Centrale Raad van Beroep, 03-07-2018 / 17-2928 PW


ECLI:NL:CRVB:2018:2146

Inhoudsindicatie
Bijstand ten onrechte ingetrokken op de grond dat sprake is van gezamenlijke huishouding. Onvoldoende feitelijke grondslag voor wederzijde zorg.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-07-03
Publicatiedatum
2018-07-23
Zaaknummer
17-2928 PW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

172928 PW-PV, 17/2929 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 maart 2017, 16/2124 en 16/3395 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[Appellante] te [woonplaats] (appellante)


het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke sociale dienst Brunssum Onderbanken Landgraaf (ISDBOL) (dagelijks bestuur)



Datum uitspraak: 3 juli 2018


Zitting hebben: A. Stehouwer als voorzitter en W.H. Bel en M. Schoneveld als leden

Griffier: J.M.M. van Dalen


Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. L.M.E. Embregts, advocaat. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.M. Maayen.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 31 mei en 19 september 2016;
  • - herroept de besluiten van 27 oktober 2015 en 25 mei 2016 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van 31 mei en 19 september 2016;
  • - veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 4.008,-;
  • - bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 216,- vergoedt.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.


Het dagelijks bestuur heeft het bestaan van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en [naam N] (N) onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Participatiewet (PW) is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud dan wel anderszins. Aan beide criteria moet zijn voldaan. De wederzijdse zorg moet in dit geval bestaan uit zowel zorg van appellante aan N als zorg van N aan appellante.


Het dagelijks bestuur heeft onvoldoende aangetoond dat sprake is van zorg van N aan appellante. Tegenover een sociaal rechercheur van het Team Bijzonder Onderzoek ISDBOL heeft appellante verklaard: “Hij doet wel eens een klusje voor me, zoals iets ophangen in de tuin”. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van het dagelijks bestuur erkent dat dit het enige element van zorg van N aan appellante is en derhalve het enige element van zorg waarop de wederzijdsheid van de zorg is gebaseerd. Deze zorg acht de Raad van te geringe omvang en daarmee ontbreekt de feitelijke grondslag om het bestaan van wederzijdse zorg aan te nemen.











Waarvan proces-verbaal.


De griffier. De voorzitter.


(get.) J.M.M. van Dalen (get.) A. Stehouwer





Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep


Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de gezamenlijke huishouding.




IJ