Centrale Raad van Beroep, 19-07-2018 / 16/5048 ZW


ECLI:NL:CRVB:2018:2201

Inhoudsindicatie
Weigering ZW-uitkering. Appellant is geschikt voor 'zijn' arbeid. Herhaling gronden in essentie in hoger beroep. Geen onzorgvuldig onderzoek. Verslechtering van de gezondheidssituatie en toename beperkingen na datum in geding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-07-19
Publicatiedatum
2018-07-23
Zaaknummer
16/5048 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

165048 ZW


Datum uitspraak: 19 juli 2018


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juni 2016, 15/4104 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A. Aksu, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken overgelegd.


Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2018. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was werkzaam als tramconducteur voor 40 uur per week toen hij zich op

22 mei 2012 ziek meldde wegens rug- en knieklachten. Nadien heeft hij ook psychische klachten gemeld. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 28 april 2014 geen recht had op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat appellant per die datum voor minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant werd met zijn beperkingen in staat geacht de functies van administratief medewerker afhandelingen, productiemedewerker (samenstellen van producten) en archiefmedewerker te vervullen. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 16 oktober 2014 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.


1.2.

Appellant heeft zich op 5 september 2014 ziek gemeld vanwege een operatie aan zijn knie. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

Na een medisch onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 14 november 2014 vastgesteld dat appellant per 17 november 2014 geen recht had op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Ook tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.


1.3.

Appellant heeft zich vervolgens op 26 januari 2015, opnieuw vanuit de situatie dat hij een WW-uitkering ontving, bij het Uwv ziek gemeld wegens toegenomen klachten. Op

17 februari 2015 heeft hij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 18 februari 2015 geschikt geacht voor de eerder geduide WIA-functies, genoemd in 1.1. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 17 februari 2015 vastgesteld dat appellant per 18 februari 2015 geen recht heeft op ziekengeld op grond van de ZW. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van

29 mei 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 mei 2015 ten grondslag.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat wat appellant heeft aangevoerd geen reden geeft om te oordelen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zorgvuldig is uitgevoerd of om

de juistheid van het medisch oordeel in twijfel te trekken. De verzekeringsartsen hebben bij hun onderzoek dossierstudie verricht, de anamnese afgenomen, appellant (psychisch) onderzocht en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft acht geslagen op informatie van de GZ-psycholoog van de HSK Groep. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij haar beoordeling betrokken het gestelde in het bezwaarschrift en wat ter hoorzitting van

7 april 2015 naar voren is gebracht. Uit de beschikbare medische gegevens kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat de verzekeringsartsen een onvolledig beeld hebben gehad van de medische situatie van appellant per 18 februari 2015. Het enkele feit dat er geen nadere informatie bij de behandelend sector is opgevraagd, is daarvoor onvoldoende. Naar het oordeel van de rechtbank behoort het tot de expertise van een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) om de in een gegeven onderzoekssituatie juiste en noodzakelijke onderzoeksinstrumenten te kiezen en de onderzoeksresultaten te beoordelen en te vertalen in beperkingen van de betrokkene. De verzekeringsarts (bezwaar en beroep) heeft daarbij een eigen verantwoordelijkheid en mag in beginsel op zijn eigen oordeel afgaan. Appellant heeft in de primaire fase gesproken met een verzekeringsarts. In het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zijn de door appellant naar voren gebrachte klachten meegenomen en is er rekening gehouden met informatie van de GZ-psycholoog, waaronder het door appellant in bezwaar overgelegde rapport van de HSK Groep van 26 februari 2015. De verzekeringsartsen hebben naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien om nadere informatie op te vragen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd waarom aan het rapport van de HSK Groep niet de waarde kan worden toegekend die appellant voorstaat en waarom deze informatie geen aanleiding geeft om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan die conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat in de wettelijke systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet de ervaren beperkingen maatgevend zijn, maar de beperkingen die het rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken zijn. Een eventuele verslechtering van de gezondheidstoestand van appellant na de datum in geding dient volgens de rechtbank voor de onderhavige beoordeling buiten beschouwing te worden gelaten.


3.1.

Appellant heeft zich niet met de uitspraak van de rechtbank kunnen verenigen. In hoger beroep heeft appellant verzocht dat wat hij in bezwaar en in beroep naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Appellant houdt in hoger beroep staande dat de medische onderzoeken door de verzekeringsartsen onzorgvuldig zijn geweest. Appellant heeft kritiek geuit op de onderzoeken door de verzekeringsartsen en benadrukt dat deze slechts van korte duur zijn geweest. Appellant voelt zich niet serieus genomen. Er is volgens hem geen rekening gehouden met zijn ziekte PTSS. Tot slot benadrukt appellant hij meerdere malen een poging tot suïcide heeft gedaan en dat hij nog steeds onder behandeling is voor zijn klachten bij de psychiatrische instelling [naam instelling] . Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant nadere medisch informatie overgelegd.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.


4.2.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van de gronden die hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak volledig en voldoende gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.


4.3.

In navolging van de rechtbank wordt geoordeeld dat er ook in hoger beroep geen aanknopingspunten zijn te vinden voor het oordeel dat de onderzoeken van de verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig of niet volledig zijn geweest. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen van 17 februari 2015 en 26 mei 2015 blijkt dat het dossier is bestudeerd, dat appellant psychisch is onderzocht en dat informatie van de behandelend sector, waaronder de informatie van HSK Groep van 26 februari 2015, bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellant is meegewogen. Hierover is in deze rapporten inzichtelijk gerapporteerd.


4.4.

Appellant kan evenmin gevolgd worden in zijn standpunt dat geen rekening is gehouden met zijn PTSS. Deze klachten zijn wel degelijk door de verzekeringsarts bezwaar en beroep beoordeeld. In haar rapport van 26 mei 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op grond van zowel de depressieve klachten als de PTSS-klachten diverse beperkingen benoemd en vastgesteld dat die ook al waren opgenomen in de Functionele mogelijkhedenlijst van

28 februari 2014 en waarmee appellant destijds geschikt is geacht voor de geduide functies, zoals genoemd in 1.1.


4.5.

Ook de door appellant in hoger beroep overgelegde medische informatie kan niet tot een ander oordeel leiden. Hiertoe wordt overwogen dat die informatie deels dateert van ruim ná, dan wel vóór de datum in geding en deels reeds in de bezwaarfase is ingebracht. In haar rapport van 26 oktober 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog gereageerd op de door appellant in hoger beroep ingediende medische stukken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd waarom de door appellant in hoger beroep overgelegde informatie geen aanleiding geeft om tot een ander inzicht te komen ten aanzien van de belastbaarheid van appellant op 18 februari 2015. Er bestaat geen aanleiding te twijfelen aan de overwegingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Met een mogelijk na de datum in geding (18 februari 2015) ontstane verslechtering van de gezondheidssituatie en daardoor veroorzaakte toename van beperkingen – de verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt in haar rapport van 26 oktober 2016 dat vanaf 23 april 2015 duidelijke sprake is van toegenomen klachten en beperkingen – kan in het kader van de onderhavige beoordeling geen rekening worden gehouden.


5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2018.




(getekend) A.I. van der Kris




(getekend) W.M. Swinkels




IvR