Centrale Raad van Beroep, 26-07-2018 / 15/8612 MPW


ECLI:NL:CRVB:2018:2281

Inhoudsindicatie
Toekenning vergoeding voor de door appellante betaalde eigen bijdrage voor de huishoudelijke hulp die zij op grond van de Wmo via Careyn heeft gekregen in de periode van 10 september 2012 tot 12 september 2014. Afwijzing verzoek om vergoeding voor de door appellante ingeschakelde particuliere hulp. Appellante heeft geen aanspraak op vergoeding van de door haar ingeschakelde huishoudelijke hulp in deze periode, nu zij hulp ontving van een instelling voor gezinsverzorging. De redelijke termijn is niet overschreden. Afwijzing verzoek om immateriële schadevergoeding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-07-26
Publicatiedatum
2018-07-27
Zaaknummer
15/8612 MPW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/8612 MPW

Datum uitspraak: 26 juli 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

17 november 2015, 15/4719 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie, is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de staatssecretaris. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Defensie.

Namens appellante heeft [naam] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2018. Appellante is verschenen bijgestaan door [naam] . De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 22 juli 2009 heeft de staatssecretaris met ingang van 1 juli 2009 dienstverband aanvaard voor de bij appellante geconstateerde aandoening van de wervelkolom. Appellante is niet in aanmerking gebracht voor een militair invaliditeitspensioen (mip), omdat de mate van invaliditeit minder dan 10% werd geacht. Met ingang van 3 januari 2011 is aan appellante een mip toegekend, berekend naar een mate van invaliditeit van 20%.


1.2.

Bij brief van 19 oktober 2014 heeft appellante verzocht om vergoeding van de kosten van huishoudelijke hulp vanaf 3 januari 2011, waaronder de kosten die haar vader heeft gemaakt bij het verlenen van huishoudelijke hulp aan haar in de periode van 3 januari 2011 tot

3 oktober 2014.


1.3.

Bij besluit van 5 januari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 mei 2015 (bestreden besluit), is aan appellante een vergoeding toegekend voor de door haar betaalde eigen bijdrage voor de huishoudelijke hulp die zij op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) via Careyn heeft gekregen in de periode van 10 september 2012 tot

12 september 2014. Het verzoek van appellante om vergoeding voor de door haarzelf ingeschakelde particuliere hulp is afgewezen. De staatssecretaris heeft overwogen dat bij besluit van 22 juli 2009 invaliditeit met dienstverband is aangenomen. Vanaf dat moment wist appellante, of had zij kunnen weten, dat ze aanspraak kon maken op voorzieningen op grond van de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers (Regeling) en kon zij een aanvraag indienen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.1.

In artikel 2, aanhef en onder a, van de Regeling is bepaald dat voorzieningen worden verleend in de vorm van leefvoorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 3; […]


4.1.2.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder e, van de Regeling wordt een voorziening als bedoeld in artikel 2 slechts verleend indien deze door betrokkene vooraf is aangevraagd. Ambtshalve toekenning kan plaatsvinden indien tijdens een medisch onderzoek in verband met de invaliditeit van betrokkene de medische noodzaak komt vast te staan.


4.1.3.

In artikel 9, aanhef en onder a, van de Regeling is vastgelegd dat onder leefvoorzieningen die betrekking hebben op de kosten verbonden aan op zich normale huishoudelijke uitgaven worden verstaan: de financiële vergoeding van de kosten van:

1. de eigen bijdrage voor huishoudelijke hulp voor zover deze hulp door een instelling voor gezinsverzorging kan worden verleend;

[...].


4.1.4.

In artikel 9, aanhef en onder b, van de Regeling is bepaald dat onder leefvoorzieningen die betrekking hebben op de kosten verbonden aan op zich normale huishoudelijke uitgaven worden verstaan: de financiële tegemoetkoming in de kosten van:

1. het zelf inhuren van huishoudelijke hulp volgens een jaarlijks vast te stellen uurloon indien de in onderdeel a, onder 1, bedoelde instelling deze hulp niet kan leveren;

[…].


4.2.

Tussen partijen is in geschil of de staatssecretaris gehouden was de kosten van particuliere huishoudelijke hulp te vergoeden in de periode van 3 januari 2011 tot

31 december 2014.


4.3.

Appellante heeft in de periode van 10 september 2012 tot 12 september 2014 als voorziening in het kader van de Wmo huishoudelijke hulp via Careyn ontvangen. Met de staatssecretaris en de rechtbank en anders dan appellante heeft aangevoerd, wordt geoordeeld dat appellante geen aanspraak heeft op vergoeding van de door haar ingeschakelde huishoudelijke hulp in deze periode, nu zij hulp ontving van een instelling voor gezinsverzorging.


4.4.

Daarnaast hebben de staatssecretaris en de rechtbank met juistheid overwogen dat appellante een aanvraag voor het zelf inhuren van huishoudelijke hulp had kunnen indienen vanaf het moment dat bij besluit van 22 juli 2009 invaliditeit met dienstverband werd aangenomen voor de aandoening aan haar wervelkolom en het (nog) niet mogelijk was om hulp via een instelling voor gezinsverzorging te krijgen. Het betoog van appellante dat zij toentertijd niet bekend was met de Regeling, kan niet slagen. In 2010 heeft appellante al een hobbyvoorziening op grond van de Regeling aangevraagd. De staatssecretaris was niet gehouden om vanwege de onbekendheid van appellante met de Regeling tot toekenning met terugwerkende kracht tot 3 januari 2011 over te gaan. Verwezen wordt naar het vereiste van een voorafgaande aanvraag, zoals geformuleerd in artikel 3, aanhef en onder e, van de Regeling.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.


5.1.

Appellante heeft verzocht om vergoeding van schade wegens schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).


5.2.

De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van een zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.


5.3.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.


5.4.

Indien voor het eerst voor de Raad een beroep op schending van de redelijke termijn wordt gedaan, heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van de uitspraak van de Raad, waarbij de duur van de totale procedure in ogenschouw wordt genomen.


5.5.

Nu appellante zich voor het eerst voor de Raad op schending van de redelijke termijn heeft beroepen en sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door de korpschef op 13 februari 2015 tot aan de uitspraak van de Raad van heden drie jaar en ruim vijf maanden zijn verstreken, is de conclusie dat de redelijke termijn niet is overschreden. Dit betekent dat het verzoek om immateriële schadevergoeding moet worden afgewezen.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.








BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2018.




(getekend) B.J. van de Griend




(getekend) L.V. van Donk






RH