Centrale Raad van Beroep, 26-07-2018 / 17/3929 AW


ECLI:NL:CRVB:2018:2291

Inhoudsindicatie
Onvoldoende eindbeoordeling. Beëindiging van de opleiding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-07-26
Publicatiedatum
2018-07-27
Zaaknummer
17/3929 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

173929 AW


Datum uitspraak: 26 juli 2018



Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer









Uitspraak in het geding tussen







Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)


het bestuur van de rechtbank Rotterdam (bestuur)



PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. I.L. Gerrits, advocaat, beroep ingesteld tegen een besluit van het bestuur van 11 april 2017 (bestreden besluit).


Namens het bestuur heeft mr. S. van Waegeningh, advocaat, een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. I. Omlo, advocaat. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Waegeningh, mr. R.G. de Lange-Tegelaar en mr. M. Gijsen.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is vanaf 2002 aangesteld als [functie] in de [onderdeel] van de rechtbank [A] . Van augustus 2011 tot mei 2014 heeft zij het traject ‘Interne doorstroom naar rechterschap’ doorlopen. Met ingang van 1 juli 2014 is appellante gestart met het traject van rechter in opleiding (rio) bij de rechtbank [A] , met behoud van haar aanstelling op grond van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. De beoogde afronding van de opleiding was bepaald op 1 juli 2016.


1.2.

Nadat appellante de voorfase van de rio-opleiding had doorlopen, is zij van 1 oktober 2014 tot 1 juli 2015 geplaatst in de Leerwerkomgeving I bij de sector straf (LWO I) op de locatie [B] van de rechtbank [A] . Op 10 april 2015 is een tussenbeoordeling opgemaakt over het tijdvak van 1 oktober 2014 tot 1 april 2015 met het eindoordeel ‘voldoende’. De beoordelingscommissie heeft daarbij opgemerkt dat in het portfolio vaker dan wenselijk punten zijn opgevallen waarop appellante als beginnend rechter niet sterk genoeg leek te handelen. De beoordelingscommissie heeft appellante het voordeel van de twijfel gegeven en heeft een herschikking van werkzaamheden aanbevolen, zodanig dat appellante zelf meer ruimte zou ervaren voor het rechterlijke werk. Appellante heeft daarop haar zienswijze gegeven. Vervolgens is een plan van aanpak opgesteld voor het laatste deel van LWO I. Op 27 juni 2015 hebben de praktijkopleiders van appellante een evaluatieformulier voortgang opleiding opgesteld. Daarin is onder meer vermeld dat appellante onvoldoende groei heeft laten zien en niet het voor de leerwerkomgeving straf vereiste niveau heeft behaald. Een evaluatiegesprek heeft plaatsgevonden en appellante heeft een schriftelijke reactie gegeven op het evaluatieformulier.


1.3.

Na afronding van LWO I heeft appellante van 1 juli 2015 tot 1 oktober 2015 een stage gevolgd bij het openbaar ministerie. Vervolgens heeft appellante van 1 oktober 2015 tot

1 juli 2016 de Leerwerkomgeving II doorlopen bij de sector familie (LWO II). Op

10 januari 2016, 12 maart 2016 en 17 mei 2016 zijn evaluatieformulieren opgesteld over haar functioneren. Op 7 juni 2016 heeft de beoordelingscommissie een eindbeoordeling opgemaakt over de periode van 1 april 2015 tot 23 mei 2016 met het totaaloordeel ‘onvoldoende’. Na het voornemen daartoe, waarop appellante haar zienswijze heeft gegeven, heeft het bestuur bij besluit van 29 september 2016 de eindbeoordeling vastgesteld in overeenstemming met de eindbeoordeling van de beoordelingscommissie.


1.4.

Bij het bestreden besluit heeft het bestuur het besluit van 29 september 2016, na bezwaar van appellante en met overneming van het advies van de bezwaaradviescommissie, gehandhaafd. Daaraan ligt ten grondslag dat appellante op vier kritische beoordelingscriteria B-II-b, C-III-a, C-III-d en D-II-d ‘zwak’ en op het kritische beoordelingscriterium E-III-a ‘onvoldoende’ scoort en dat de scores zwak en onvoldoende op elk van deze kritische beoordelingscriteria afzonderlijk al direct tot een onvoldoende eindbeoordeling leiden. Voorts leidt de totaalscore van 57,5 % tot een onvoldoende eindbeoordeling. Een verlenging van de opleidingsduur heeft het bestuur niet verleend omdat het judicium ‘onvoldoende’ is toegekend. In de omstandigheden die appellante heeft aangevoerd, heeft het bestuur geen aanleiding gezien om de opleiding te verlengen met toepassing van de hardheidsclausule.


2. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen het bestreden besluit.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Bevoegdheid


3.1.

De Raad verwijst voor zijn bevoegdheid in eerste en enige aanleg ten aanzien van rio’s en officieren in opleiding naar wat is overwogen in de uitspraak van 18 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2837.


Beoordeling


3.2.

Het bestuur heeft de inhoud van de opleiding van appellante vastgesteld met inachtneming van het advies van de intakecommissie, daarbij rekening houdend met de werkervaring en urenomvang per week van appellante. De intakecommissie had een opleidingsduur van achttien maanden geadviseerd, te beginnen met de leerwerkomgeving familie en vervolgens de leerwerkomgeving straf. Het bestuur heeft de leerwerkomgevingen in omgekeerde volgorde vastgesteld en, zoals door de intakecommissie was geadviseerd bij een dergelijke omkering, is de opleidingsduur van de leerwerkomgeving straf met drie maanden verlengd. De totale opleidingsduur is bepaald op 24 maanden. Het bestuur heeft tot die volgorde van leerwerkomgevingen besloten omdat de opleiding dan werd gestart in het voor appellante bekende rechtsgebied strafrecht met het doel zittingsvaardigheden te ontwikkelen in een voor haar vertrouwd rechtsgebied, terwijl de verdere uitbouw van bijkomende leeraspecten in het voor haar onbekende terrein van het familierecht kon plaatsvinden.


3.3.

Vastgesteld kan worden dat sprake is geweest van maatwerk, toegesneden op de werkervaring van appellante en met inachtneming van het advies van de intakecommissie. Dit opleidingstraject heeft het bestuur dan ook kunnen gebruiken als kader van de beoordeling.


3.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 6 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2314) is de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of die beoordeling op voldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het bestuursorgaan dit met concrete feiten onderbouwen. Niet doorslaggevend is of elk feit dat het bestuursorgaan ter onderbouwing aanvoert boven elke twijfel is verheven en of sommige feiten niet (geheel) juist zijn vastgesteld of geïnterpreteerd. Bepalend is of de gegeven waardering, gelet op het totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten, de terughoudende rechterlijke toetsing kan doorstaan.


3.5.

Belastende omstandigheden waaronder de ambtenaar zijn werk heeft moeten uitvoeren kunnen volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 3 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK7315) hooguit invloed hebben op de aan de beoordeling te verbinden rechtspositionele gevolgen, maar niet leiden tot hogere scores dan op grond van het feitelijk functioneren gerechtvaardigd is. Daar komt nog bij dat, zoals eerder overwogen (uitspraak van 13 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3858), een rio in staat moet worden geacht om zich ook onder moeilijke omstandigheden te ontwikkelen tot het niveau van een beginnende rechter. Hierbij hoort ook het om kunnen gaan met en lering trekken uit zeer kritische feedback.


3.6.

Artikel 8 van het Beoordelingsreglement Initiële opleiding tot rechter en raadsheer (Beoordelingsreglement) luidt als volgt:

“1. De afzonderlijke beoordelingscriteria van de scoringslijst worden gewaardeerd op een

2-punts- of 4-puntsschaal: 0 = ‘onvoldoende’, 1 = ‘zwak punt’, 2 = ‘voldoende’ en

3 = ‘ sterk punt’. Ook kan worden aangeduid dat een beoordelingscriterium ‘niet van toepassing’ of ‘niet te beoordelen’ is.

(…)

3. Een aantal beoordelingscriteria van de scoringslijst is benoemd als kritisch. Deze moeten met een ‘voldoende’ of hoger worden gewaardeerd.

4. Indien niet alle kritische beoordelingscriteria met een ‘voldoende’ of hoger zijn gewaardeerd, dan wordt het judicium onvoldoende toegekend, behoudens in de situatie in

lid 5, tweede volzin, genoemd.

(…)

7. Voor de eindbeoordeling moet minimaal 70% worden behaald ten opzichte van de maximum score op de van toepassing zijnde beoordelingscriteria. De criteria waarop ‘niet van toepassing’ of ‘niet te beoordelen’ is gescoord tellen hierin niet mee. Binnen een marge van 5% naar boven en naar beneden zal de beoordelingscommissie bepalen en motiveren wat het judicium is.

8. Een behaalde score onder 65% leidt tot het judicium ‘onvoldoende, een score boven 75% tot het judicium ‘voldoende’, tenzij niet aan de kwantitatieve normen in het POP is voldaan en daarvoor geen afdoende verklaring bestaat in de zwaarte van de zaken.

(…)”


3.7.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de kritische beoordelingscriteria

C-III-a, C-III-d en D-II-d ten onrechte met ‘zwak’ en E-III-a ten onrechte met ‘onvoldoende’ zijn beoordeeld. De score ‘zwak’ bij B-II-b acht appellante juist, zij het dat ze verwacht bij een verlenging van de opleiding het vereiste niveau te kunnen halen.


3.7.1.

Het criterium C-III-a, thema Uitspraken betreft “op de zaak toepasselijke formeel- en materieelrechtelijke wetgeving, jurisprudentie, doctrine en beleid toepassen en beargumenteren”. Appellante stelt onder verwijzing naar feedbackformulieren van rechters, niet-opleiders, het toetsingskader van civiel onder de knie te hebben en meent dat op basis van het geringe aantal ingewikkelde alimentatiezaken dat zij heeft kunnen behandelen niet kan worden geconcludeerd dat zij op dat gebied tekort schoot. Daarnaast heeft appellante betoogd dat de bezwaaradviescommissie en daarmee ook het bestuur, zich niet mag verschuilen achter de beoordelingscommissie. De Raad stelt vast dat de score voor dit criterium berust op concrete gegevens uit feedbackformulieren in LWO I en LWO II. Uit wat appellante in dit licht heeft gesteld volgt weliswaar dat zij op dit vlak ook positieve resultaten heeft geboekt, maar dat neemt niet weg dat het bestuur op basis van de tevens beschikbare informatie een score zwak heeft toegekend. Het bestuur heeft de inhoud van het portfolio, dat door appellante zelf is samengesteld en door de opleiders als representatief is goedgekeurd, en de 30 uitspraken die deel uitmaakten van het portfolio, waarvan er één een ingewikkelde kwestie betrof, voldoende representatief geacht om zich een oordeel te vormen. Voor zover appellante stelt dat de bezwaaradviescommissie, althans het bestuur, zich niet kan verschuilen achter het oordeel van de beoordelingscommissie, stelt de Raad vast dat deze score is gebaseerd op informatie uit diverse feedbackformulieren. De bezwarenprocedure leent zich in beginsel niet voor een discussie over de inhoud van de feedbackformulieren, opgesteld door daartoe opgeleide praktijkopleiders. In het besluit van 29 september 2016 zijn alle door appellante bestreden beoordelingscriteria voorzien van een motivering, waarbij verwezen is naar concrete voorbeelden uit meerdere feedbackformulieren. Hierin zijn concrete voorbeelden genoemd van situaties op zittingen en daarmee is de score zwak bij dit criterium toereikend gemotiveerd.


3.7.2.

Het criterium C-III-d, thema Uitspraken, betreft “de beslissing op basis van feiten en standpunten uit het dossier motiveren, met een logische structuur en op juridisch goed verdedigbare wijze”. Appellante stelt dat ze onvoldoende tijd heeft gekregen om groei door te maken in de alimentatiezaken, terwijl aan andere rio’s veel meer tijd is gegund om dat aspect onder de knie te krijgen. Met deze beroepsgrond heeft appellante omstandigheden aangevoerd die, zoals is overwogen in 3.5, niet kunnen leiden tot een hogere score dan op grond van het feitelijk functioneren gerechtvaardigd is. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.


3.7.3.

Het criterium D-II-d, thema magistratelijkheid/professionalisering/beleid, betreft “toont zich verantwoordelijk voor en investeert in eigen professionele ontwikkeling, is in staat zich snel juridische kennis eigen te maken”. Appellante heeft gesteld dat de uitspraken die zij heeft geschreven bij de afdeling Kanton, waar zij na de beoordelingsperiode werkzaam was en die daarom buiten de beoordelingsperiode vallen, indicatief zijn voor de competenties waarover zij beschikt. Voor appellante vormt dat een bevestiging van het feit dat zij binnen een veilig leerklimaat goed kan presteren. Ook dit kan niet leiden tot een hogere score. Het bestuur heeft er voorts op gewezen dat uit het portfolio blijkt dat appellante niet voldoende groei heeft doorgemaakt op gebieden van het civiele toetsingskader, de materiële kennis en de zittingsvaardigheden. De omstandigheid dat appellante na de beoordelingsperiode positieve feedback heeft ontvangen, neemt niet weg dat de score voor dit criterium voldoende concreet is onderbouwd.


3.7.4.

Criterium E-III-a, thema samenwerken/communicatie/intervisie, betreft “kan zelfinzicht tonen”. Appellante heeft aangevoerd dat de positieve feedback zwaarder weegt dan de negatieve feedback en dat het bestuur niet op dat argument is ingegaan. Zoals het bestuur terecht stelt, neemt de positieve feedback niet weg dat er ook negatieve feedback is gegeven in diverse feedbackformulieren, waaronder feedbackformulieren van de laatste maand van de beoordelingsperiode. Overigens is de commissie wel op dat argument ingegaan, door te stellen dat de negatieve feedback het totale beeld ten aanzien van dit criterium doet omslaan.


3.8.

De beroepsgronden die appellante voor het overige nog heeft aangevoerd over de omstandigheden waaronder zij de rio-opleiding heeft moeten volgen, kunnen niet tot een ander oordeel over de beoordeling leiden. Daarbij acht de Raad van belang dat de opleiding is vastgesteld overeenkomstig het advies van de intakecommissie, ook daar waar het betreft de andere volgorde van de leerwerkomgevingen, en dat het advies van de intakecommissie aanvankelijk in overeenstemming met de wens en visie van appellante was.

3.9.

De conclusie is dat de beoordeling van deze kritische beoordelingscriteria voldoende onderbouwd zijn. Het beroep van appellante tegen de beoordeling slaagt niet.


Beëindiging van de opleiding


3.10.

Op grond van artikel 9, derde lid, van het Beoordelingsreglement, gelezen in samenhang met de daarbij behorende toelichting, wordt bij een beoordeling met het judicium ‘onvoldoende’ de opleiding niet verlengd. In geval van specifieke omstandigheden zoals zwangerschap, ziekte, ouderschapsverlof, of wanneer de rio aan het eind van de opleiding nog niet geheel aan de eindtermen voldoet door objectiveerbare omstandigheden die de ontwikkeling van de rio hebben verstoord, kan het bestuur met toepassing van de hardheidsclausule besluiten tot verlenging van de opleiding.


3.11.

Appellante heeft in dit kader gesteld dat er omstandigheden zijn die de opleiding hebben verstoord en dat het bestuur met toepassing van de hardheidsclausule om die reden haar opleiding had moeten verlengen. Appellante noemt hierbij het omdraaien van de leerwerkomgevingen. Zij is, in afwijking van het uitgangspunt van het Landelijk opleidingsstatuut initiële opleiding dat zo veel mogelijk moet worden aangevangen in een schrijfsector, begonnen in de zittingssector. Hierdoor is zij ernstig benadeeld. Voorts heeft zij aan gevoerd dat zij een grotere kans liep op een onvoldoende eindbeoordeling door te eindigen in een voor haar vreemd rechtsgebied, waarbij zij erop heeft gewezen dat 75% van de rio’s die intern zijn doorgestroomd vanuit de rechtbank Rotterdam naar de rio-opleiding en die zijn geëindigd in een onbekend rechtsgebied, geconfronteerd zijn met een onvoldoende eindbeoordeling. Het bestuur heeft zich naar het oordeel van de Raad in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de kans op een voldoende eindbeoordeling bij omkering van de LWO’s groter zou zijn geweest, louter speculatief is en dat dit daarom geen omstandigheden zijn die nopen tot een verlenging van de opleiding met toepassing van de hardheidsclausule.


3.12.

Appellante heeft betoogd dat zij door persoonlijke omstandigheden gehinderd is in haar ontwikkeling en prestaties. Doordat een oom was overleden en een neefje ernstig ziek was, heeft zij de eerste maanden van de opleiding veel verdriet gehad en is zij belast geweest met zorg en steun aan haar familie. Die situatie heeft veel impact op haar gehad. Daarnaast heeft haar echtgenoot ernstige spanningsklachten gehad, met als gevolg dat hij vanaf medio december 2015 gedurende tien weken is uitgevallen van zijn werk. Appellante heeft zich grote zorgen om hem gemaakt en zij heeft in die periode de meeste gezinstaken op zich moeten nemen. Deze omstandigheden, die zich hebben afgespeeld in de persoonlijke levenssfeer van appellante, zullen ongetwijfeld van invloed zijn geweest op haar gemoedstoestand. Maar, zoals het bestuur ook heeft overwogen, heeft appellante van deze omstandigheden geen melding gemaakt tijdens de opleiding, bijvoorbeeld in haar reacties op evaluatieverslagen. Zij heeft ook geen gegevens in het geding gebracht op grond waarvan kan worden vastgesteld dat deze omstandigheden haar werk en haar ontwikkeling in negatieve zin hebben beïnvloed.


3.13.

Verder heeft appellante gesteld dat sprake was van een onveilig leerklimaat bij LWO I en dat er, ondanks haar verzoek, gesteund door de kernopleider, geen wisseling van praktijkopleiders heeft plaatsgevonden. Het bestuur bestrijdt dat daarvan sprake was. De Raad overweegt dat de door appellante beschreven situatie, waaronder een volgens appellante moeizame werkrelatie met praktijkopleiders en het niet toestaan van een wisseling van praktijkopleiders, niet als een onveilig leerklimaat kan worden betiteld. Wat betreft de door appellante gestelde werkdruk is tijdens de opleiding in zoverre rekening gehouden dat de aantallen producten bij LWO II naar beneden zijn bijgesteld. Het bestuur heeft bij zijn afweging in redelijkheid mogen betrekken dat appellante nog in het geheel niet aan de eindtermen voldeed en dat het onmogelijk werd geacht dat appellante in een verlenging de scores voor de vijf kritische beoordelingscriteria waarvoor zij nog geen voldoende had behaald zou ombuigen naar voldoende. Hetzelfde geldt voor het behalen van een totaalscore van 70%.


3.14.

Gelet op het voorgaande heeft het bestuur in redelijkheid tot het standpunt kunnen komen dat de omstandigheden waarin appellante verkeerde niet zodanig bijzonder waren dat deze noopten tot verlenging van de opleidingsduur met toepassing van de hardheidsclausule.


3.15.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellante niet slaagt. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.


4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en

J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2018.




(getekend) C.H. Bangma




(getekend) J. Smolders







RH