Centrale Raad van Beroep, 03-01-2018 / 15/7807 WMO


ECLI:NL:CRVB:2018:23

Inhoudsindicatie
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Appellant beschikt niet over het vereiste procesbelang.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-01-03
Publicatiedatum
2018-01-04
Zaaknummer
15/7807 WMO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2018/8
Uitspraak

15/7807 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 oktober 2015, 14/3936 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Beesel (college)

Datum uitspraak: 3 januari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.M.M. Menting, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Appellant en mr. S. Smeets, kantoorgenoot van mr. Menting, hebben nadere gronden en stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 22 augustus 2016 heeft mr. S. Smeets de Raad bericht zich te hebben onttrokken als gemachtigde.

Partijen hebben, al dan niet desgevraagd, meermalen nadere stukken overgelegd en hierop over en weer gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2017. Appellant en zijn begeleidster [naam] zijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door dr. T. van Eerden.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant, geboren in 1955, heeft ernstige visuele en auditieve beperkingen. Ook is appellant bekend met COPD.


1.2.

Bij besluit van 8 april 2013 heeft het college aan appellant voor de periode van 8 april 2013 tot en met 8 oktober 2013 hulp bij het huishouden toegekend voor 5 uur en 20 minuten per week. Hierbij heeft het college meegedeeld dat onderzocht zal worden welke mogelijkheden de zoon van appellant heeft om mee te helpen in het huishouden. Het college heeft deze toekenning, laatstelijk bij besluit van 13 maart 2014 voor de periode van 9 maart 2014 tot en met 19 april 2014, telkens ongewijzigd voortgezet.


1.3.

Op verzoek van het college heeft C. van Mierlo, verzekeringsarts bij Argonaut, op 8 april 2014 medisch advies uitgebracht. Deze arts heeft geconcludeerd dat de inwonende zoon van appellant in staat is de gebruikelijke zorg in het huishouden te leveren.


1.4.

Bij besluit van 15 april 2014 heeft het college aan appellant hulp bij het huishouden toegekend naar een omvang van 2 uur en 35 minuten per week, voor de periode van 19 juni 2014 tot en met 1 januari 2016. Het college heeft een gewenningsperiode ingesteld door middel van een afbouwregeling, waarbij appellant voor de periode van 19 april 2014 tot

18 mei 2014 vijf uur, en voor de periode 19 mei 2014 tot en met 18 juni 2014 vier uur hulp bij het huishouden ontvangt. De werkzaamheden hebben betrekking op zwaar en licht huishoudelijk werk en textielverzorging.


1.5.

Bij besluit van 18 november 2014 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 15 april 2014 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft zich, onder verwijzing naar het medisch advies van Argonaut, op het standpunt gesteld dat de omvang van de toegekende uren huishoudelijk werk is verminderd omdat sprake is van gebruikelijke zorg. De bij appellant inwonende zoon wordt in staat geacht alle huishoudelijke taken te verrichten. De toegekende uren worden verstrekt vanwege de extra huishoudelijke taken die ontstaan door de beperkingen van appellant. Dit betreft de meer dan gebruikelijke zorg.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant voert, kort samengevat, aan dat de totstandkoming, de inhoud en de conclusie van het medisch advies van Argonaut onjuist en onzorgvuldig is. Uit de brieven van de huisarts van 27 maart 2013 en van de neuroloog van 1 september 2014 volgt dat zijn zoon destijds niet in staat was om gebruikelijke zorg te leveren. Met deze procedure wil appellant een signaal afgeven ter voorkoming van verdere partijdige en niet onafhankelijke rechtspraak in Nederland. Verder geeft appellant aan stress te hebben ervaren door het tekort aan begeleiding vanaf juni 2016. Appellant heeft verzocht de rechter en griffier in de beroepsprocedure als getuige te horen. Verder wenst hij schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874) is eerst sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Daarbij geldt dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken periode, tenzij sprake is van een onderbouwd verzoek om schadevergoeding dan wel een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode.


4.2.

De door appellant betwiste omvang van de toegekende huishoudelijke hulp heeft betrekking op een in het verleden liggende afgesloten periode. Het met terugwerkende kracht toekennen van huishoudelijke hulp in natura is niet mogelijk en niet is gebleken dat appellant schade heeft geleden. Ter zitting is toegelicht dat appellant in deze periode, maar ook tot het moment waarop zijn zoon is verhuisd, geen door hem zelf betaalde huishoudelijke hulp heeft betrokken. Verder is de feitelijke woonsituatie van appellant met de verhuizing van zijn zoon gewijzigd als gevolg waarvan nadere besluitvorming heeft plaatsgevonden door het college. De Raad is niet gebleken van enige uitstralende werking van een inhoudelijk oordeel over de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor toekomstige aanspraken van appellant op hulp bij het huishouden.


4.3.

Uit wat hiervoor is overwogen vloeit voort dat appellant niet beschikt over het vereiste procesbelang en dat het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om getuigen op te roepen, dan wel om aan de overige verzoeken van appellant te voldoen. Ook het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.


Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2018.




(getekend) A.J. Schaap




De griffier is verhinderd te ondertekenen.




UM