Centrale Raad van Beroep, 04-09-2018 / 17/1838 PW


ECLI:NL:CRVB:2018:2717

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering. Voortzetting werkzaamheden als zelfstandige niet gemeld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-09-04
Publicatiedatum
2018-09-10
Zaaknummer
17/1838 PW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak
17 1838 PW

Datum uitspraak: 4 september 2018


Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

14 februari 2017, 16/3300 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]


het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)







PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft appellant hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2018. Appellanten zijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Chahid.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant exploiteerde vanaf 2012 een onderneming in tuinbouwartikelen met de handelsnaam [naam A] (bedrijf). Volgens de Kamer van Koophandel heeft appellant het bedrijf beëindigd op 1 oktober 2015 en is de dochter van appellanten op 1 oktober 2015 een bedrijf met dezelfde handelsnaam gestart.


1.2.

Appellanten hebben op 6 oktober 2015 een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ingediend. Op het aanvraagformulier hebben appellanten vermeld dat appellant zijn bedrijf heeft opgeheven en dat hij niet langer als zelfstandige werkt. Bij besluit van 17 november 2015 heeft het college aan appellanten met ingang van 6 oktober 2015 bijstand op grond van de PW toegekend, naar de norm voor gehuwden.


1.3.

Naar aanleiding van een melding van de afdeling Debiteurenbeheer van de gemeente Utrecht dat appellant zijn bedrijf aan zijn dochter heeft overgedragen om aanspraak te maken op bijstand op grond van de PW en hij desondanks nog steeds werkzaamheden voor dit bedrijf verricht, hebben twee medewerkers van het Team Handhaving van de gemeente Utrecht (handhavingsmedewerkers) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader hebben de handhavingsmedewerkers onder meer informatie ingewonnen bij de Kamer van Koophandel, gegevens bij appellanten opgevraagd, op 20 maart 2016 waarnemingen verricht op de Beverwijkse Bazaar en appellanten op 30 maart 2016 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 april 2016.


1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 28 april 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 juni 2016 (bestreden besluit), de bijstand van appellanten met ingang van 6 oktober 2015 in te trekken en de over de periode van 6 oktober 2015 tot en met 30 april 2016 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 9.191,89 van appellanten terug te vorderen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant sinds de overdracht van zijn bedrijf op 1 oktober 2015 nog steeds werkzaamheden als zelfstandige verricht. Appellanten hebben, door hiervan bij het college geen melding te maken, de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet vastgesteld kan worden.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. De onderzoeksresultaten vormen voldoende grondslag voor de conclusie dat appellant in de te beoordelen periode, die loopt van 6 oktober 2015 tot en met 28 april 2016, zijn werkzaamheden als zelfstandige heeft voortgezet, althans op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in het bedrijf. Hierbij is van belang dat uit de door appellant overgelegde bankafschriften blijkt dat van zijn bankrekening in de periode in geding bedragen zijn bijgeschreven en handelswaar is gekocht ten behoeve van het bedrijf. Dit vindt steun in de door appellant overgelegde facturen, die alle op naam van het bedrijf staan en aan appellant zijn geadresseerd. Verder is van belang dat de handhavingsmedewerkers op 20 maart 2016 hebben waargenomen dat appellant aanwezig was op de standplaats van het bedrijf op de Beverwijkse Bazaar en hij goederen vanuit een op zijn naam staande bedrijfsauto naar de standplaats bracht. Tijdens het gesprek op 30 maart 2016 heeft appellant onder meer verklaard dat hij een standplaats huurt op de Beverwijkse Bazaar en hij daar op zaterdag en zondag staat. Gelet op het voorgaande is de beroepsgrond van appellant dat zijn dochter verantwoordelijk is voor het bedrijf en dat de activiteiten die hij heeft verricht enkel betrekking hadden op de overdracht van het bedrijf, niet aannemelijk. Nu appellant van de werkzaamheden die hij in het bedrijf heeft verricht geen melding heeft gemaakt, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het college heeft terecht geconcludeerd dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld.


3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten hebben, evenals in beroep, aangevoerd dat appellant alleen op 20 maart 2016 op de Beverwijkse Bazaar is waargenomen, dat hij toen enkel wat spullen voor zijn dochter heeft afgeleverd en dat hij in totaal maar anderhalf uur op de Bazaar aanwezig is geweest. Dit kan niet worden aangemerkt als het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden. Ter zitting heeft appellant nog naar voren gebracht dat hij zijn dochter af en toe heeft ondersteund in het bedrijf op momenten dat zij druk was met haar studie en dat hij daarvoor geen inkomsten heeft ontvangen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De gronden die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, zijn in wezen een herhaling van wat zij reeds in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellanten hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig zou zijn. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel berust. Hij voegt daaraan nog toe dat de omstandigheid dat appellant zijn dochter heeft geholpen in het bedrijf op momenten dat zij erg druk was, onverlet laat dat hij daarmee activiteiten heeft verricht die moeten worden aangemerkt als op geld waardeerbare werkzaamheden. Appellant had melding moeten maken van deze activiteiten bij het college.


4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en P.W. van Straalen en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van Y. Azirar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2018.



(getekend) W.F. Claessens




(getekend) Y. Azirar






rh