Centrale Raad van Beroep, 05-09-2018 / 17/6 ZW


ECLI:NL:CRVB:2018:2727

Inhoudsindicatie
Zorgvuldig medische onderzoeken. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-09-05
Publicatiedatum
2018-09-06
Zaaknummer
17/6 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

176 ZW


Datum uitspraak: 5 september 2018


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 november 2016, 15/7837 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. D. Matadien, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2018. Voor appellant is mr. Matadien verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als beveiligingsmedewerker voor 42,50 uur per week. Op 4 juni 2014 heeft hij zich ziek gemeld met psychische klachten en knieklachten. Hij ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).


1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellant op 9 april 2015 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 april 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 75,45% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 30 april 2015 vastgesteld dat appellant met ingang van 4 juli 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt, waarbij een behandelplan van Stichting Sarya van 20 januari 2015 is overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze informatie betrokken in zijn heroverweging, maar heeft hierin geen aanleiding gezien om van het eerdere verzekeringsgeneeskundig oordeel af te wijken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat vier van de vijf eerder geselecteerde functies ongewijzigd geschikt zijn voor appellant en vastgesteld dat appellant op basis van deze vier functies 75,45% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 29 oktober 2015 (bestreden besluit) het bezwaar, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, samengevat, overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening heeft gehouden met de knieklachten van appellant en met de psychische klachten en slaapproblemen, waarvoor beperkingen zijn gesteld ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren. Het standpunt van appellant dat geen rekening is gehouden met al zijn klachten is door de rechtbank niet gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 20 januari 2016 gemotiveerd waarom de voor appellant gestelde lichamelijke beperkingen voldoende zijn voor de door hem geuite rug-, schouder- en armproblemen. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 4 oktober 2016 gemotiveerd waarom de overgelegde informatie in beroep geen aanleiding geeft het ingenomen standpunt te wijzigen, waarbij is benadrukt dat uitsluitend de medische situatie per 4 juli 2015 en niet van latere datum aan de orde is. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de geselecteerde functies in overeenstemming zijn met de voor appellant vastgestelde beperkingen.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat zijn lichamelijke en psychische klachten door de verzekeringsartsen zijn onderschat. In het bijzonder heeft appellant gesteld dat hij als gevolg van de pijnen en medicatiegebruik slechts op matige wijze zijn aandacht kan vasthouden, zodat ten onrechte het verdelen van aandacht als normaal is beoordeeld. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij niet zelfstandig kan functioneren en beperkingen heeft om sociale contacten te onderhouden. Vanwege zijn psychische klachten in samenhang met zijn fysieke beperkingen en zijn medicijngebruik acht appellant zich niet in staat om op energetisch niveau te functioneren en had voor hem een urenbeperking moeten worden vastgesteld.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.2.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).


4.3.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn grotendeels een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de medische onderzoeken door het Uwv zorgvuldig zijn geweest en dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant besproken en voldoende gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. Hieraan wordt nog het volgende toegevoegd. Uit de rapporten van 20 januari 2016 en 4 oktober 2016 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle in beroep overgelegde medische informatie heeft betrokken in zijn beoordeling. Hierbij heeft hij vermeld dat die informatie geen nieuwe gegevens bevat die betrekking hebben op de belastbaarheid van appellant op 4 juli 2015, de datum in geding. In de FML van 9 april 2015 zijn de nodige beperkingen ten aanzien van rug- en beenbelasting vastgelegd op de items frequent buigen, tillen, lopen, traplopen, klimmen, staan en gebogen en/of getordeerd actief zijn. Niet eerder dan in de brief van 17 november 2015 van de huisarts wordt melding gemaakt van schouderklachten. Dat ziet op een datum na de datum in geding, zodat daarmee bij de EZWb geen rekening wordt gehouden. Verder is met betrekking tot het persoonlijk en sociaal functioneren in de FML onder meer vastgelegd dat appellant is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken, werk waarin geen hoog handelingstempo is vereist, werk waarin meestal weinig of geen rechtstreeks contact met klanten is vereist en werk dat geen leidinggevende aspecten bevat. Met betrekking tot de in hoger beroep nieuw aangevoerde gronden ten aanzien van het verdelen van aandacht, zelfstandig functioneren en op energetisch niveau functioneren wordt het Uwv gevolgd dat uit de stukken niet blijkt dat appellant hiervoor beperkter moet worden geacht dan is aangenomen.


4.4.

Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens in het geding gebracht die tot een ander oordeel kunnen leiden. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de verzekeringsartsen van het Uwv de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding onjuist hebben ingeschat.


4.5.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

5. De overwegingen in 4.3 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd en het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2018.




(getekend) E.W. Akkerman




(getekend) R.P.W. Jongbloed




SSa