Centrale Raad van Beroep, 24-01-2018 / 15/8271 WIA


ECLI:NL:CRVB:2018:273

Inhoudsindicatie
Loonsanctie. Juist oordeel rechtbank dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en zij daarvoor geen deugdelijke grond heeft. Overwegingen rechtbank onderschreven. De door appellante in hoger beroep ingebrachte stukken weerleggen de aan haar gemaakte verwijten niet.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-01-24
Publicatiedatum
2018-01-30
Zaaknummer
15/8271 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • SZR-Updates.nl 2018-0012
Uitspraak

15/8271 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

9 november 2015, 15/1421 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 24 januari 2018

[naam werkneemster] te [plaatsnaam] (werkneemster)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J.M. van den Bos-Ackermans hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2017. Voor appellante zijn

[naam A] en [naam B] verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bos-Ackermans. Het Uwv heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen. Werkneemster is niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Werkneemster was bij appellante werkzaam als [naam functie] voor achttien uur per week, toen zij op 11 oktober 2012 wegens surmenageklachten voor haar werk uitviel. Werkneemster heeft op 22 juni 2014 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.


1.2.

Bij besluit van 24 september 2014 heeft het Uwv het tijdvak waarin appellante als werkgeefster het loon van werkneemster tijdens ziekte moet doorbetalen, verlengd met 52 weken tot 8 oktober 2015. Die verlenging – ook wel loonsanctie genoemd – is opgelegd in aansluiting op de afloop van de wachttijd van 104 weken als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA. Volgens het Uwv zijn de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende geweest en ontbreekt voor dat verzuim een deugdelijke grond. Het Uwv heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, in verbinding met artikel 65 van die wet.


1.3.

Appellante heeft tegen het besluit van 24 september 2014 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 april 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 april 2015, het bezwaar ongegrond verklaard en de loonsanctie gehandhaafd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat de rapporten van de arbeidsdeskundige van 16 september 2014 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 april 2015 in samenhang bezien met de overige gedingstukken, voldoende steun bieden voor het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en zij voor dat verzuim geen deugdelijke grond heeft. Naar aanleiding van de opvatting van appellante dat werkneemster geen mogelijkheden had om aan het arbeidsproces deel te nemen heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts van het Uwv afdoende heeft gemotiveerd dat werkneemster over benutbare mogelijkheden beschikte en dat de bedrijfsarts van appellante bij de begeleiding van werkneemster voldoende adequaat heeft gehandeld en een goed beeld heeft gehad van de problematiek die op de werkvloer speelde. De arbeidsdeskundigen van het Uwv hebben volgens de rechtbank terecht geconcludeerd dat appellante het onderzoek naar mogelijkheden in het zogenoemde eerste spoor niet op transparante wijze heeft vastgelegd, waardoor onduidelijk is gebleven of de door appellante aan werkneemster aangeboden functie wel passend was. Zo heeft appellante het advies van een door haar ingeschakelde arbeidsdeskundige niet opgevolgd om de arbeidsmogelijkheden met werkneemster te bespreken en deze vast te leggen zodra duidelijkheid over het functiehuis bestond. Van een functiebeschrijving die zou worden opgemaakt en een plan van aanpak is in het dossier geen documentatie te vinden. Dit weegt volgens de rechtbank temeer nu werkneemster al na een maand in de aangeboden functie is uitgevallen wegens spanningen op de werkvloer. Uit het dossier is evenmin gebleken dat appellante adequaat heeft gereageerd op het arbeidsconflict tussen werkneemster en haar direct leidinggevende. Ook is niet gebleken dat appellante zich in voldoende mate heeft ingespannen om het conflict met werkneemster op te lossen, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat het zogenoemde tweede spoor nauwelijks op gang is gekomen. Volgens de rechtbank hebben de arbeidsdeskundigen van het Uwv terecht geconcludeerd dat appellante de re-integratie in het tweede spoor niet adequaat heeft aangepakt, nu werkneemster slechts minimaal heeft gesolliciteerd en alleen in de periode maart 2014 tot juni 2014. Bovendien heeft werkneemster gesolliciteerd op functies waarvan betwijfeld kan worden of die wat betreft haar belastbaarheid wel passend waren. Ook was in het tweede spoortraject veel onduidelijkheid over het al dan niet voortzetten van dat traject. Vanaf juni 2014 was het re-integratiedoel in het tweede spoor niet meer duidelijk en heeft er geen terugkoppeling meer plaatsgevonden. Uit de voortgangsrapportage van re-integratiebureau

De Nieuwe Kracht van 8 september 2014 is gebleken dat na de uitval van werkneemster in de intern aangeboden functie nauwelijks re-integratie-inspanningen in het tweede spoor hebben plaatsgehad en werkneemster in augustus 2014 alleen een sollicitatietraining heeft gevolgd.


3.1.

Appellante heeft zich niet met de uitspraak kunnen verenigen. Zij heeft in hoger beroep nadere stukken ingebracht en haar standpunt herhaald dat zij wel degelijk aan haar re-integratieverplichtingen jegens werkneemster heeft voldaan. Volgens appellante zijn de re-integratie-inspanningen in het tweede spoor vooral door de houding van werkneemster op niets uitgelopen. Er hebben twee mediationtrajecten plaatsgevonden op grond waarvan kon worden verwacht dat in 2014 een hersteldmelding zou volgen. Door de ziekmelding van werkneemster is daarvan niets terecht gekomen.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder inbrenging van rapporten van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 14 april 2016 en 6 september 2016 als reactie op de door appellante ingebrachte rapporten van re-integratiebureau De Nieuwe Kracht.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In hoger beroep is in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin werkneemster recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken tot 8 oktober 2015 heeft verlengd, omdat sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante zonder dat daarvoor een deugdelijke grond is.


4.2.

Voor het van toepassing zijnde wettelijk kader wordt verwezen naar wat de rechtbank hierover in de aangevallen uitspraak heeft vermeld.


4.3.

De rechtbank heeft met juistheid de grondslag van het bestreden besluit onderschreven dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en zij daarvoor geen deugdelijke grond heeft. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak uitgebreid ingegaan op de beroepsgronden van appellante. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Wat in hoger beroep is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe wordt van belang geacht dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar reacties van 14 april 2016 en 6 september 2016 op de door appellante in hoger beroep ingebrachte stukken, overtuigend uiteen heeft gezet waarom die stukken het aan appellante gemaakte verwijt dat het interne onderzoek naar een functie voor werkneemster in het kader van het eerste spoor nooit op transparante wijze is vastgelegd en sprake is van een inadequaat verlopen tweede spoortraject, niet hebben weerlegd. Uit die stukken is niet gebleken dat sprake is geweest van een adequaat onderzoek en zijn de afwegingen die met betrekking tot de geschiktheid van de functie in het eerste spoor zijn gemaakt onvoldoende zichtbaar geworden. Ook hebben die stukken niet weerlegd dat in het tweede spoortraject onduidelijkheid bestond over het doel van dat traject, de uitvoering ervan op een laag pitje stond en het traject voortijdig is stopgezet. Wat het standpunt van appellante betreft dat de houding van werkneemster mede debet is geweest aan het mislukken van de re-integratie in het tweede spoor, wordt gewezen op de verklaring van appellante ter zitting dat re-integratie in het eerste spoor steeds de voorkeur heeft gehad bij werkneemster en werkgeefster.


5. Uit wat in 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2018.




(getekend) M. Greebe




(getekend) H. Achtot




SS