Centrale Raad van Beroep, 04-09-2018 / 18/1143 NIOAW


ECLI:NL:CRVB:2018:2736

Inhoudsindicatie
Appellant heeft een Zwitserse WW-uitkering ontvangen. De aanvraag IOAW-uitkering is ten onrechte afgewezen op de grond dat de Nederlandse vertaling van Franstalige documenten ontbrak. De IOAW valt onder de werkingssfeer van EU Verordening 883/2004. Uit in bezwaar overgelegde Zwitserse uitkeringsspecificatie blijkt dat appellant in Zwitserland gedurende de maximale termijn van 400 dagen een werkloosheidsverzekering heeft genoten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-09-04
Publicatiedatum
2018-09-10
Zaaknummer
18/1143 NIOAW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

181143 NIOAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

19 februari 2018, 17/2655 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)



Datum uitspraak: 4 september 2018


PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2018. Appellant is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich niet laten vertegenwoordigen.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft een aantal jaren in het buitenland gewerkt, laatstelijk in Zwitserland. Op 30 november 2016 is hij naar Nederland teruggekeerd. Appellant heeft op 17 februari 2017 een aanvraag om uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) gedaan.


1.2.

Bij besluit van 3 maart 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 mei 2017 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de aanvraag van appellant afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat op grond van de drie in de bezwaarfase in de Franse taal overgelegde stukken van het Zwitserse caisse cantonale de chomage (CCH) niet kan worden vastgesteld dat appellant recht heeft op een

IOAW-uitkering.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Het ligt op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat hij aan de voorwaarden voor een IOAW-uitkering voldoet. Voor een goede behandeling van de aanvraag is een vertaling van de door appellant overgelegde Franstalige stukken noodzakelijk. Het ligt op de weg van appellant om zorg te dragen voor een vertaling.


3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat het ontbreken van een vertaling van de documenten niet de reden van de afwijzing is geweest. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de vertaling de kern van het geschil betrof en ten onrechte geoordeeld dat een vertaling nodig was. Uit de overgelegde documenten blijkt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor een IOAW-uitkering.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 76, zevende lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van sociale zekerheidsstelsels (Vo 883/2004), bij welke verordening Zwitserland sinds 1 juni 2012 partij is, schrijft voor dat autoriteiten, organen en rechterlijke instanties van een lidstaat verzoekschriften of andere documenten, niet mogen afwijzen op grond van het feit dat zij in een officiële taal van een andere lidstaat zijn opgesteld. De IOAW valt onder de werkingssfeer van Vo 883/2004 (Hof van Justitie EG, arrest van 2 augustus 1993,

zaak C-66/92, Acciardi). Dit betekent dat de aanvraag van appellant niet mocht worden afgewezen op de grond dat een vertaling van de Franstalige documenten ontbrak.


4.2.

Artikel 5, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 987/2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Vo 883/2004 (Vo 987/2009) bepaalt dat de door het orgaan van een lidstaat voor de toepassing van Vo 883/2004 en Vo 987/2009 afgegeven documenten over iemands situatie en de bewijsstukken op grond waarvan de documenten zijn afgegeven, voor de organen van de andere lidstaten bindend zijn zolang de documenten of bewijsstukken niet door de lidstaat waar zij zijn afgegeven, zijn ingetrokken of ongeldig verklaard. Het tweede lid bepaalt dat bij twijfel omtrent de geldigheid van het document of de juistheid van de feiten die aan de vermeldingen ten grondslag liggen, het orgaan van de lidstaat dat het document ontvangt het orgaan van afgifte om opheldering en eventueel om intrekking van het document verzoekt.


4.3.

Tot de kring van rechthebbenden van de IOAW behoren werkloze werknemers als bedoeld in artikel 2 van de IOAW. Werkloze werknemer is, voor zover hier van belang, degene die in verband met werkloosheid recht heeft gekregen op een werkloosheidsuitkering met een duur van meer dan drie maanden en nadien de volledige uitkeringsduur heeft bereikt. Alleen al uit de in bezwaar overgelegde uitkeringsspecificatie van CCH van 30 juni 2015, met toelichting, blijkt dat appellant in Zwitserland gedurende de maximale termijn van vierhonderd dagen een werkloosheidsuitkering heeft genoten. Het standpunt van het dagelijks bestuur houdt dus geen stand.


4.4.

Wat in 4.1 en 4.3 is overwogen heeft de rechtbank niet onderkend. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou beloven te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.


4.5.

Vervolgens moet worden bezien welk vervolg hieraan wordt gegeven. De Raad ziet geen mogelijkheden om zelf in de zaak te voorzien, omdat de Raad over onvoldoende gegevens beschikt. Daarom bestaat aanleiding om het dagelijks bestuur op te dragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant met inachtneming van deze uitspraak.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 mei 2017;

- draagt het dagelijks bestuur op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2018.



(getekend) W.H. Bel




(getekend) F. Dinleyici




JL