Centrale Raad van Beroep, 06-09-2018 / 15/6380 WIA


ECLI:NL:CRVB:2018:2750

Inhoudsindicatie
WIA-uitkering terecht herzien. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. De verzekeringsarts heeft de FML aangepast conform het advies van de door de Raad geraadpleegde deskundige. In hoger beroep van een toereikende medische en arbeidskundige grondslag voorzien.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-09-06
Publicatiedatum
2018-09-11
Zaaknummer
15/6380 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

156380 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 augustus 2015, 15/1015 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[Appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



Datum uitspraak: 6 september 2018


PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. drs. A.H.J. de Kort, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Kort. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.W.L. Clemens.


Het onderzoek is heropend na de zitting, waarna de Raad verzekeringsarts F.M. Brouwer als deskundige heeft benoemd voor het instellen van een onderzoek.


De deskundige heeft op 15 mei 2018 een rapport aan de Raad uitgebracht.


Beide partijen hebben gereageerd op het rapport.


Met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten. De Raad heeft het onderzoek daarom gesloten.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is in 2007 uitgevallen voor zijn werk als senior technical consultant vanwege (vermoeidheids)klachten als gevolg van een Obstructief Slaapapneu Syndroom (OSAS). Hij heeft vanaf 16 december 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangen op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 76,72%. Met ingang van 16 april 2012 is deze uitkering omgezet in een WGA-vervolguitkering.


1.2.

Op 13 oktober 2013 heeft appellant aan het Uwv gemeld dat zijn gezondheid is verslechterd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij gewezen op een rapport van revalidatiecentrum Blixembosch betreffende een Functional Capacity Evaluation (FCE) van 26 augustus 2013. Het Uwv heeft bij besluit van 23 januari 2014, onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid 79,30% bedraagt en de uitkering van appellant ongewijzigd voortgezet.


1.3.

In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat er een aantal beperkingen zijn geduid die niet zijn te onderbouwen op basis van de conclusies van het FCE, noch op basis van de verdere beschikbare medische informatie en die niet logisch voortvloeien uit de bij appellant gestelde diagnoses. Op 22 september 2014 is daarom een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld die geldig is vanaf 12 november 2013.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voor appellant geschikte functies geselecteerd en de mate van zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 50,96%. Bij brief van

14 oktober 2014 heeft het Uwv appellant in kennis gesteld van het voornemen de

WIA-uitkering van appellant te herzien. Appellant heeft op dit voornemen zijn zienswijze ingebracht. Naar aanleiding hiervan heeft een andere verzekeringsarts bezwaar en beroep de belastbaarheid heroverwogen en geconcludeerd dat de aanpassingen in de FML duidelijk zijn beargumenteerd en dat er geen aanleiding is tot wijziging van de FML.


1.4.

Bij besluit van 4 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 januari 2014 ongegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage met ingang van 5 februari 2015 gewijzigd naar 50,96. Daarbij is overwogen dat het gewijzigde arbeidsongeschiktheidspercentage en de geduide functies op 14 oktober 2014 aan appellant kenbaar zijn gemaakt. De uitkering wordt herzien twee maanden nadat de wijziging van de arbeidsongeschiktheid heeft voortgeduurd, maar niet eerder dan de datum waarop het besluit van 4 februari 2015 wordt ontvangen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.


2.1.

Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Met name blijkt uit de rapporten van de verzekeringsartsen dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten. Uit de stukken is niet gebleken dat als appellant wordt gevolgd in zijn standpunt dat de hoofdaandoening Periodic Limb Movement Syndroom (PLMS) is in plaats van het OSAS, dit tot andere beperkingen of tot de noodzaak van een urenbeperking zou leiden. De rechtbank heeft verder overwogen dat het door appellant overgelegde verslag van het FCE-onderzoek met terughoudendheid moet worden gehanteerd omdat het onderzoek afhankelijk is van de medewerking van de betrokkene en deze, al dan niet bewust, invloed kan uitoefenen op het onderzoek. Nu echter uit het

FCE-onderzoek is gebleken dat appellant feitelijk bepaalde handelingen kan uitvoeren, is het weglaten van beperkingen uit de FML toelaatbaar.


2.2.

De rechtbank heeft ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. De rechtbank is er voldoende van overtuigd dat de belastbaarheid van appellant in de functies waarop de schatting is gebaseerd niet wordt overschreden.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat niet alle aandoeningen waar hij aan lijdt zijn meegenomen in de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid. Appellant heeft verder aangevoerd dat het hem verbaast dat de rechtbank overweegt dat het FCE-onderzoek niet is uitgevoerd door een arts, maar dat het wel gebruikt mag worden door artsen van het Uwv om beperkingen weg te laten. Appellant stelt dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en dat hij niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 5 februari 2015 op goede gronden heeft vastgesteld op 50,96%.


4.2.

Teneinde een oordeel te kunnen geven over de belastbaarheid van appellant rond de datum in geding heeft verzekeringsarts Brouwers op verzoek van de Raad een expertise verricht en van zijn bevindingen een rapport uitgebracht. De deskundige heeft gerapporteerd dat de diagnosen PLMD en OSAS niet ter discussie staan. De kern van het (verzekeringsgeneeskundig) probleem is dat de vermoeidheidsklachten niet objectiveerbaar zijn. Op grond van de verminderde energie als gevolg van slecht slapen acht de deskundige een lichte urenbeperking, maximaal 8 uur per dag respectievelijk 40 uur per week, aangewezen. Ook dient appellant beperkt te worden geacht voor zaken die zijn bioritme verstoren, zoals werken in de avond en nacht en wissel- en ploegendiensten. Een aantal andere in de FML van 22 september 2014 opgenomen beperkingen worden door de deskundige niet onderschreven.


4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 29 mei 2018 de FML aangepast conform het advies van de deskundige. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van de aangepaste FML vastgesteld dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies nog steeds passend zijn.


4.4.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt.


4.5.

Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek, is inzichtelijk en consistent gemotiveerd en komt de Raad overtuigend voor. De Raad ziet geen aanleiding zijn conclusies niet te volgen. Daarbij is van belang dat de deskundige appellant heeft onderzocht en daarnaast alle beschikbare medische informatie heeft bestudeerd waaronder de informatie van de artsen van het Uwv en van de behandelend artsen van appellant. Deze informatie heeft hij kenbaar betrokken in zijn beoordeling. Er is geen aanleiding om het, niet met concrete feiten of omstandigheden onderbouwde, standpunt van appellant dat het deskundigenrapport onvolledig en bevooroordeeld is te volgen.


4.6.

De overwegingen 4.1 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Nu het bestreden besluit pas in hoger beroep van een toereikende medische en arbeidskundige grondslag is voorzien, bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en op

€ 1.252,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.254,50.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.254,50;
  • - bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van

R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2018.




(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum




(getekend) R.L. Rijnen



IvR