Centrale Raad van Beroep, 06-09-2018 / 18/136 AW


ECLI:NL:CRVB:2018:2799

Inhoudsindicatie
In het kader van een reorganisatie wordt de ambtenaar met een vergelijkbare of uitwisselbare functie geplaatst op deze vergelijkbare of uitwisselbare functie al dan niet in een andere plaats van tewerkstelling, met inachtneming van het bepaalde in artikel 55l. Appellant kan zich niet vinden in het eindresultaat van functievergelijking. Aanvraag op grond van de Notitie loopt nog en valt buiten omvang van dit geding. Korpschef heeft niet afdoende onderzocht of er aanleiding bestond toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Opdracht nieuw besluit, waartegen slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-09-06
Publicatiedatum
2018-09-17
Zaaknummer
18/136 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

18136 AW


Datum uitspraak: 6 september 2018



Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

24 november 2017, 17/2245 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats], België (appellant)


de korpschef van politie (korpschef)



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. H.J.A. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.


De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jansen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N.J. Mathura.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was in dienst bij het voormalige Korps landelijke politiediensten (Klpd) in de functie van Allround Politiemedewerker bij de dienst Verkeer, salarisschaal 7.


1.2.

Bij besluit van 1 december 2015 heeft de korpschef de oorspronkelijke functie van appellant vastgesteld op de functie van Generalist GGP, Verkeer, gewaardeerd in

salarisschaal 7, de LFNP-functie waarnaar appellant op 1 januari 2012 is overgegaan.


1.3.

Bij besluit van 10 juni 2016 heeft de korpschef appellant als functievolger met ingang van

1 juli 2016 geplaatst in de functie van Generalist GGP, gewaardeerd in salarisschaal 7, in de formatie van de Landelijke Eenheid, Dienst Infrastructuur, Geografische Afdeling -

Zuid-Oost-Nederland. Bij besluit van 26 januari 2017 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2016 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat van de uitgangspositie en van de LFNP-functie is uitgegaan en dat een vergelijkbare of uitwisselbare functie is gevonden in de functie waarin appellant is geplaatst. Er is sprake van een passende functie, waarvoor hij bekwaam wordt geacht. Dat appellant mogelijk een cursus moet volgen om weer ingezet te worden op de functie van Generalist GGP, omdat hij de Verkeerspolitie in 2010 heeft verlaten en zes jaar andere werkzaamheden heeft verricht, houdt niet in dat deze functie niet langer een passende functie is. Appellant is dus op goede gronden aangemerkt als functievolger. Wegens de passendheid van de functie bestaat geen aanleiding om toepassing te geven aan de hardheidsclausule, aldus de korpschef.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 55lb, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) wordt de ambtenaar met een vergelijkbare of uitwisselbare functie in het kader van een reorganisatie geplaatst op deze vergelijkbare of uitwisselbare functie al dan niet in een andere plaats van tewerkstelling, met inachtneming van het bepaalde in artikel 55l.


4.2.

De (voormalige) Minister van Veiligheid en Justitie, de korpschef, de politievakorganisaties en de Centrale Ondernemingsraad hebben in het zogeheten vierpartijenoverleg afspraken gemaakt over de aanpak van de personele reorganisatie in verband met de totstandkoming van de Nationale Politie, de zogenoemde reorganisatie Politiewet 2012. Deze afspraken zijn op hoofdlijnen vastgelegd in het zogenoemde Hoofdlijnenakkoord van 20 december 2013. Als uitwerking van dit akkoord zijn vervolgens in het vierpartijenoverleg nadere, rechtspositionele afspraken gemaakt. Deze uitvoeringsafspraken zijn op 4 juni 2015 door het Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken vastgesteld en zijn vastgelegd in het zogeheten ‘Moederdocument’, met bijlagen.


4.3.1.

Volgens het Hoofdlijnenakkoord wordt de uitgangspositie van de medewerker in de reorganisatie bepaald door de aan hem per 1 januari 2012 toegekende LFNP-functie. Dit in samenhang met het samenstel van werkzaamheden dat is vastgelegd in de uitgangspositie van de medewerker vóór de overgang naar een LFNP-functie. Voor de meeste medewerkers is dat de oude korpsfunctie op 31 december 2011.


4.3.2.

In fase 1 worden medewerkers geplaatst op functies in de nieuwe formatie. Zij worden geplaatst als functievolger, dan wel vanuit de positie van herplaatsingskandidaat als in fase 1 een passende functie is gevonden.


4.3.3.

Een functievolger volgt een vergelijkbare of uitwisselbare functie zoals bedoeld in artikel 55l van het Barp. Medewerkers met een vergelijkbare of uitwisselbare functie worden in de reorganisatie Politiewet 2012 allen aangewezen als functievolger, ongeacht de formatieruimte in de functie. Overbezetting in de vergelijkbare of uitwisselbare functie wordt dus geaccepteerd.


4.4.

De vergelijkbare of uitwisselbare functies worden vastgesteld door functievergelijking. Die gebeurt - blijkens het Moederdocument, bijlage 5: ‘Functievergelijking reorganisatie politiewet 2012, Werkwijze Werk naar Team (WNT)’- als volgt:


Op basis van het samenstel van opgedragen werkzaamheden vastgelegd in de uitgangspositie voor de overgang naar een LFNP-functie wordt bepaald in welk taakgebied/werkveld de medewerker werkzaamheden zijn opgedragen;


Aan de hand daarvan wordt bepaald in welk team in de nieuwe formatie dit taakgebied/werkveld terugkeert. Het resultaat daarvan wordt weergegeven in de zogenoemde “Van werk naar team”-tabellen;


Vervolgens wordt vastgesteld of de LFNP-functie van de medewerker voorkomt in de formatie van het betreffende team. Is dit het geval dan wordt de medewerker op die functie als functievolger geplaatst;


Bij de beoordeling of de LFNP-functie van de medewerker voorkomt in de formatie van het betreffende team worden werkterreinen, aandachtsgebieden en specifieke functionaliteiten buiten beschouwing gelaten;


Als de LFNP-functie van de medewerker niet voorkomt in de formatie van het betreffende team, wordt gekeken of het samenstel van opgedragen werkzaamheden dat is vastgelegd in de uitgangspositie van de medewerker voor de overgang naar de LFNP-functie vergelijkbaar of uitwisselbaar is met een functie in de formatie van het team. Is dit het geval dan wordt de medewerker op die functie als functievolger geplaatst. Voor deze laatste vergelijking bestaat een commissie (Commissie Functievergelijking) die de korpschef hierover adviseert.


4.5.

In artikel 55v van het Barp is bepaald dat indien de toepassing van hoofdstuk VII.b (Voorzieningen bij reorganisaties) of de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk in individuele gevallen leidt tot onbillijkheden van overwegende aard of indien er sprake is van een bijzondere situatie van een individuele herplaatsingskandidaat, het bevoegd gezag, na afweging van de belangen van het individu en van de organisatie, kan afwijken van dit hoofdstuk of van de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk.


4.6.1.

De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de door de korpschef gemaakte functievergelijking heeft plaatsgevonden in overeenstemming met de onder 4.1 tot en met 4.4 weergegeven wettelijke bepalingen en uitvoeringsafspraken.


4.6.2.

Appellant kan zich evenwel niet vinden in het eindresultaat. Daartoe heeft hij onder meer een aanvraag ingediend op grond van de Notitie tijdelijke tewerkstellingen in fase 2 (Notitie). Ter zitting van de Raad is gebleken dat die procedure nog loopt, zodat dit onderwerp buiten de omvang van het geding valt.


4.7.

Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat er, anders dan de rechtbank en de korpschef hebben geconcludeerd, aanleiding bestaat om toepassing te geven aan de hardheidsclausule en hem te plaatsen in een andere, hogere functie. Volgens appellant is zijn formele functie niet meer passend (te maken) voor hem, omdat deze functie in de loop der jaren aanzienlijk is gewijzigd en er geen opleidingen zijn voor de nieuwe functieonderdelen. Nu hij daarnaast sinds 2010 uitsluitend heeft gewerkt in functies die hoger ingeschaald waren en een hoger opleidingsniveau vereisen, hij daarvoor opleidingen heeft gevolgd, hij volgens een competentiemeting van de Politieacademie van 13 januari 2017 een hoog HBO-niveau heeft en hij blijkens een Ervaringscertificaat (EVC) van de Politieacademie van 3 april 2017 voldoet aan de getoetste kernactiviteiten van de functie van Operationeel Specialist A, functieschaalniveau 9, is gelet op het niveau de formele functie niet langer als passend aan te merken. De korpschef erkent dit feitelijk ook, want appellant is inmiddels weer werkzaam in een hogere functie, als analist. Ook als de functie wel als passend moet worden beschouwd, bestaat nog steeds reden de hardheidsclausule toe te passen, gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden. Terugplaatsing in de formele functie, die op een aantoonbaar veel te laag niveau voor appellant is, zou volstrekt ongewenst en onredelijk zijn.


4.8.

Het is aan degene die een beroep op een hardheidsclausule doet daartoe dragende omstandigheden aan te voeren op grond waarvan toepassing van de hardheidsclausule aangewezen is. Op grond van wat appellant daartoe heeft aangedragen, de overige gedingstukken en het verhandelde ter zitting, is de Raad onder meer het volgende gebleken. De korpsfunctie en de functie van Generalist GGP zijn gewaardeerd in salarisschaal 7. In de functiebeschrijving van Generalist GGP is als functie-eis MBO (niveau 3) werk- en denkniveau opgenomen. Uit een ongedateerde brief van de korpschef volgt dat appellant met ingang van 15 oktober 2010 tijdelijk werkzaamheden verrichtte bij de Dienst Nationale Recherche. De stelling van appellant dat het niveau daarvan hoger lag dan het niveau van zijn formele functie is namens de korpschef niet weersproken. Vervolgens is appellant, blijkens een brief van de korpschef van 3 april 2013, met ingang van 20 augustus 2012 tijdelijk belast met de waarneming van de functie van rechercheur tactiek, waaraan dezelfde waardering was verbonden als aan zijn formatieve functie. Met ingang van 1 januari 2014 is appellant tijdelijk werkzaamheden gaan verrichten bij het team Dumping van de Dienst Landelijke Recherche. Uit het dossier volgt dat appellant langere tijd aan het dumpingenprobleem is blijven werken. Appellant heeft in dat kader onweersproken gesteld dat hij vanaf 1 januari 2014 tot omstreeks de datum van het bestreden besluit op dat terrein werkzaam was als analist en dossiervormer en dat die werkzaamheden op een hoger niveau lagen dan zijn formele functie. De Raad acht het daarom, behoudens voor wat betreft voornoemde waarneming met ingang van 20 augustus 2012, aannemelijk dat sprake was van een niveauverschil tussen de formele functie en de feitelijke werkzaamheden die appellant jarenlang verrichtte. Tevens is gebleken dat die werkzaamheden vanaf 2010 inhoudelijk op een ander terrein lagen dan zijn formele functie, namelijk in de financiële opsporing respectievelijk op het gebied van dumpingen van synthetisch drugsafval. Appellant heeft ten behoeve van het uitvoeren van deze andere werkzaamheden diverse opleidingen gevolgd. Wat betreft de formele functie is een nieuwe werksituatie ontstaan, doordat de Verkeerspolitie, Spoorwegpolitie en Waterpolitie zijn samengevoegd in de nieuwe Dienst Infrastructuur. Officiële opleidingen voor werkzaamheden op het spoor of water zijn niet meer te volgen. Ter zitting heeft de korpschef aangegeven dat bijscholing in de formele functie geschiedt door ‘learning on the job’. Ten overvloede acht de Raad in dit verband van belang dat appellant onbetwist heeft gesteld dat de korpschef hem, nadat hij van februari 2017 tot juli 2017 in zijn formele functie had gewerkt, inmiddels weer tewerkgesteld heeft in een analistenfunctie, gewaardeerd in salarisschaal 9. In het licht van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de korpschef niet afdoende heeft onderzocht of er aanleiding bestond toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Bij zijn beslissing hieromtrent heeft de korpschef onvoldoende aandacht besteed aan de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden. Vergelijk de uitspraak van 21 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1843. De Raad acht de in het bestreden besluit gegeven motivering op het punt van de hardheidsclausule dan ook ontoereikend.


4.9.

Het voorgaande betekent dan het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad zal de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigen en opdracht geven om, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Met het oog op een voortvarende beslechting van het geschil zal de Raad daarbij met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat een - eventueel - beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld.


5. Er is aanleiding de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden voor beroepsmatig verleende rechtshulp begroot op € 501,- in beroep (beroepschrift 1 punt, met een waarde per punt van € 501,-) en € 1.002,- in hoger beroep (hoger beroepschrift 1 punt, zitting 1 punt, met een waarde per punt van € 501,-), in totaal € 1.503,-.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 26 januari 2017 gegrond en vernietigt dat besluit;

- draagt de korpschef op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2016 en bepaalt dat beroep tegen deze beslissing slechts kan worden ingesteld bij de Raad;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.503,-;

- bepaalt dat de korpschef aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 421,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.J.T. van den Corput en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2018.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) F. Dinleyici




JL